Na de Jonge Dryas ‘koude periode’ (10.876 v.chr. ~ 9.600 v.chr.) zijn nog andere koude perioden ontstaan, maar minder extreem. Het 8.2k event bijvoorbeeld, refereert naar een plotselinge koude golf die wetenschappers rond het jaar 6.200 v.chr. dateren. Bovendien heeft rond het jaar 2.250 v.chr. een plotselinge klimaatverandering plaatsgevonden die onder wetenschappers het 4.2k event heet. Vanaf dan werd het klimaat in onder meer het Middellandse Zeegebied, het Midden-Oosten en India, gedurende meer dan honderd jaar gekenmerkt door droogte. De swing in het klimaat tijdens het 4.2k event was ogenschijnlijk echter minder substantieel dan het 8.2k event. Maar wetenschappers hebben desondanks het jaar 2.250 v.chr. onlangs aangewezen als het startpunt van het meest recente geologische tijdsgewricht binnen het Holoceen: het Meghalayan.

In dit derde essay van het ‘5 december project’ zal worden uitgewerkt dat de klimaatverandering bij het begin van Meghalayan ook samen lijkt te zijn gevallen met een grote kosmische inslag, net als het begin van de Jonge Dryas. Deze inslag heeft een krater achter gelaten vlak buiten de toenmalige kustlijn van de Perzische Golf in Sumer, ofwel zuidelijk Mesopotamië, en heeft daardoor vrijwel zeker een Zondvloed in de regio veroorzaakt.

In het eerste essay van het ‘5 december project’ is het begin van de Jonge Dryas gelinkt aan een grote kosmische inslag op Groenland op 5 december in 10.876 v.chr.. Deze datum is boven komen drijven door het ontrafelen van een oud rekenmodel, waar de Juliaanse kalender het belangrijkste onderdeel van is. In het tweede essay is vervolgens laten zien dat de lange Maya cyclus een onderdeel is van hetzelfde rekenmodel als de Juliaanse kalender en uit Mesopotamië komt. Het zal uiteindelijk in dit derde essay duidelijk worden dat de belangrijkste functionaliteit van de Maya cyclus er uit bestaat, dat de kosmische inslag voor de kust van Sumer er mee gedateerd en gelokaliseerd kan worden.

Daartoe moet allereerst een uitstapje naar noordelijk Mesopotamië worden gemaakt; naar de tempels van Nineveh.

Nineveh en de Umm al Binni krater

De hedendaagse stad Mosoel in Noord-Irak is gebouwd rond de ruïnes van de oude stad Nineveh. Nineveh was al een relevante stad in Mesopotamië rond 3.000 v.chr. en werd later onderdeel van het Assyrische Rijk. In tegenstelling tot in Babylon speelde de god Marduk (Jupiter) geen rol in Nineveh. Nabu (Mercurius) en Ishtar (Venus) waren daarentegen wel relevant.

In het jaar 2.260 v.chr. is de Ishtar tempel in Nineveh herbouwd volgens Wikipedia. Dit gebeurde na een vermeende catastrofe. De kaart van Nineveh laat zien dat de Ishtar tempel op 36,36 graden noorderbreedte en 43,1535 graden oosterlengte stond. Vlak ernaast lijkt de Nabu tempel op zijn zuidpunt ook op 36,36 graden noorderbreedte te hebben gestaan.

Dat de Ishtar tempel precies op de cijfercombinatie 36,36 voor de breedtegraad is gebouwd, is opvallend. Het getal 36 heeft tenslotte een aantal interessante eigenschappen: het is 6 in het kwadraat en 1 tot en met 36 is bij elkaar opgeteld 666. En de Maya cyclus van 5.125,36 jaar eindigt natuurlijk eveneens op 36 achter de komma. Waar zou de locatie van de Ishtar tempel in Nineveh verband mee houden?

In Zuid-Irak bevindt zich een kratermeer dat wordt toegeschreven aan een kosmische inslag. De naam van het kratermeer is Umm al Binni. Let wel, het gebied waar de Umm al Binni krater ligt, lag naar verluid onder het water van de Perzische Golf tijdens de glorietijd van Mesopotamië. De kustlijn van Sumer lag destijds een kleine 200 kilometer verder naar het noordwesten dan tegenwoordig. Het middelpunt van de krater ligt op 31,24 graden noorderbreedte en ongeveer 47,1048 graden oosterlengte. Maar de breedtegraad van de krater op 31,24 NB ligt dus 5,12 graden zuidelijker dan de breedtegraad van de Ishtar tempel in Nineveh op 36,36 graden.

a)

36,36 graden – 31,24 graden = 5,12 graden

Aldus duikt zomaar de 512 bevestigingscode (5 december) uit het Zondvloedmodel op tussen de Ishtar tempel in Nineveh en het middelpunt van de krater in Zuid Irak. Is de locatie om de Ishtar tempel in Nineveh te bouwen, ooit bepaald met gebruikmaking van de code 512 van het Zondvloedmodel? En wanneer zou de krater geslagen zijn?

Interessant is dat als we de decimalen van het middelpunt van de krater op 31,24 graden, middels het uit Sumer afkomstige Sexagesimale systeem (60) omkatten, de krater op 31 graden en 14 boogminuten en 24 boogseconden ligt. Dit wordt in geometrie geschreven als 31,14’24”. Dit cijferrijtje is afgerond op boogminuten toevallig gelijk aan het cijferrijtje in het startjaar van de Maya cyclus in 3.114 v.chr..

b)

0,24 x 60 = 14,40 > 0,40 x 60 = 24

31,24 = 31,14’ 24”

Is Sumer in het jaar 3.114 v.chr. getroffen zijn door een kosmische inslag vlakbij de toenmalige kustlijn in de Perzische Golf op 31,14’ noorderbreedte? Is dat wat het beginpunt van de Maya cyclus representeert? Zoals in de inleiding opgemerkt, suggereert klimatologisch onderzoek echter dat niet rond 3.100 v.chr., maar juist rond 2.250 v.chr. iets groots is gebeurd: het is het genoemde 4.2K event en het begin van Meghalayan.

Hoewel de omvang van de krater van 3,4 kilometer diameter, aanmerkelijk kleiner is dan de Hiawatha Krater op Groenland (31 kilometer), moet de inslag niettemin een catastrofale gebeurtenis zijn geweest, vooral voor de regio rond de Perzische Golf.

Het Meghalayan

Het midden van de 23e eeuw voor onze jaartelling kan toevallig gemakkelijk bereikt worden met behulp van de Maya cyclus en een variant van het Sexagesimale systeem. In het experimentje dat daarvoor nodig is wordt allereerst de lengte van de Maya cyclus van 5.125,36 jaar door zes gedeeld. De resulterende 854,22666666 jaar moet daarna worden opgeteld bij het startpunt van de Maya cyclus op 7 september 3.114 v.chr. (volgens de Juliaanse kalender). Het is gemakkelijk te zien dat daarmee de late herfst van het jaar 2.260 v.chr. wordt bereikt. Dit is opmerkelijk dichtbij het door wetenschappers veronderstelde startjaar van het Meghalayan in 2.250 v.chr..

Maar ook is het opmerkelijk dat het jaar 2.260 v.chr. toevallig tevens het jaar is waar de Ishtar tempel in Nineveh op 36,36 graden noorderbreedte werd herbouwd na een catastrofe. De tempel is exact 5,12 graden noordelijker gebouwd dan de Umm al Binni krater. De bevestigingscode 512 suggereert dat de krater en de tempel een onderdeel zijn van het Zondvloedmodel. Of de herbouw van de tempel is begonnen in 2.260 v.chr. of dat het juist in dat jaar is afgerond is niet duidelijk.

En dan bestaat het jaar 2.260 v.chr. toevallig ook nog uit de rijtjes van het in het tweede essay besproken Meestergetal 22 en van het getal 60 van het Sexagesimale stelsel. Deze hints roepen de vraag op of de oorzaak van het begin van het Meghalayan, net als het begin van de Jonge Dryas, een kosmische inslag kan zijn geweest die een onderdeel is van hetzelfde rekenmodel als de inslag van 10.876 v.chr.?

Om hier meer over te weten te komen lijkt een exacte berekening van de datum in de herfst van het jaar 2.260 v.chr. met behulp van het Sexagesimale systeem en de Maya cyclus op zijn plaats. Maar daarmee wordt meteen tegen een probleem aangelopen; want wat is precies het exacte startpunt van de Maya cyclus?

De berekening van de datum van de Zondvloed in Sumer

Dag 0 in de Maya kalender viel in de Juliaanse kalender op maandag 6 september 3.114 v.chr. en Dag 1 viel op dinsdag 7 september. De Gregoriaanse einddatum 21 december 2.012 is vervolgens weer Dag 0 in de Maya kalender. Maar helaas is onduidelijk wat voor tijdstip en welke lengtegraad bij het startpunt van de Maya cyclus horen. Het is dus experimenteren geblazen en het meest logische lijkt om als probeersel vanaf exact middernacht 6/7 september 3.114 v.chr. te gaan rekenen en er het zesde deel van de lengte van de Maya cyclus (854,226666 jaar) bij op te tellen.

c)

5125,36 / 6 = 854,226666

Allereerst moet dan de verschuiving van de Juliaanse kalender (met 0,0078 dag per jaar) over de tijdspanne van de 854,22666666 jaar die bij het startpunt moet worden opgeteld, worden berekend. Dit leidt tot een verschuiving van 6,662968 dagen. Al dan niet toevallig duikt aldus gelijk de uit het eerste essay bekende onheilscode 666 in dit getal op.

d)

0,0078 x 854,22666666 = 6,662968

Middernacht 6/7 september viel 116 dagen voor het einde van het jaar 3.114 v.chr.. Wanneer 6,662968 dagen daarbij wordt opgeteld, leidt dit tot 122,662968 dagen voor eind 3.114 v.chr..

e)

116 + 6,662968 = 122,662968 dagen voor eind 3.114 v.chr.

Dit aantal van ruim 122,6629 dagen moet vervolgens in decimalen van een jaar worden omgezet. Maar dit leidt tot een getal met heel veel cijfers achter de komma. Dat is wat vervelend, maar het is een kwestie van doorzetten.

f)

122,662968 / 365 + 3113 = 3113,336062926027397 voor begin jaartelling.

Vervolgens moet het genoemde zesde deel van de Maya cyclus van 854,226666 jaar bij dit tijdstip worden opgeteld. We bereiken aldus in decimalen uitgedrukt ruim 0,10939 jaar voor het einde van het jaar 2.260 v.chr..

g)

-3113,336062926027397 + 854,2266666666 = -2259,10939626002

Wanneer het getal achter de komma vermenigvuldigd wordt met 365, wordt het aantal dagen voor het einde van het jaar 2.260 v.chr. berekend. Dit leidt tot een aantal van ruim 39,9296 dagen dat moet worden terug geteld vanaf eind 2.260 v.chr. om het uiteindelijke resultaat te bereiken.

h)

365 x 0,10939626002 = 39,9296349073

365 – 39,9296349073 = 325,073650927 = 22 november, 01u:41m:19,5648s

Het herschrijven van dit resultaat tot een datum en tijdstip leidt tot 22 november van het jaar 2.260 v.chr. om 01u:41m:19,5648s.

De datum 22 november is opvallend. In het tweede essay is namelijk laten zien dat wanneer vanaf het begin van een kalenderjaar wordt teruggerekend met de 39,977 dagen die de Juliaanse kalender terugvalt gedurende de lengte van de Maya cyclus, de datum 22 november wordt bereikt om 00u:33m:7,2s. Toevallig wordt in bovenstaande berekening eveneens de vroege ochtend van 22 november bereikt, maar ruim 68 minuten later.

De vraag dient zich dan ook aan of het tijdstip 00u:33m:7,2s op 22 november, dat verstopt zat in de Maya cyclus, het lokale inslagtijdstip geweest kan zijn in de Umm al Binni krater? Het verschil ten opzichte van het hier boven berekende tijdstip op 22 november 2260 v.chr., is 68 minuten en 12,3648 seconden. Maar gezien het feit dat dit tijdstip is bereikt door als experiment te beginnen rekenen vanaf middernacht 6/7 september 3.114 v.chr., ligt voor de hand om met de mogelijkheid rekening te houden dat om het werkelijke starttijdstip van de Maya cyclus te verkrijgen, deze 68 minuten en 12,3648 seconden moeten worden teruggerekend vanaf middernacht 6/7 september 3.114 v.chr.. Het starttijdstip van de Maya cyclus zou in dit geval dan 22u:51m:47,6352s op maandag 6 september 3.114 v.chr., in het middelpunt van de Umm al Binni krater op 47,1048 OL zijn geweest.

In dit veronderstelde starttijdstip van de Maya cyclus is het getal 22 zichtbaar als uren. Het getal 22 is zoals gezegd één van de drie Meestergetallen, naast 11 en 33. Als de minuten en seconden uit het veronderstelde starttijdstip achter elkaar worden geschreven en het verschil ten opzichte van de jaren uit het Maya getal 5125 wordt berekend, resulteert alweer 22.

i)

5147 – 5125 = 22

De belangrijkste sleutel van de inslag in 2.260 v.chr.

Het vermoeden dat de juiste weg is ingeslagen wordt verder bevestigd door wat het lokale inslagtijdstip in Babylon zou zijn geweest, wanneer als inslagtijdstip 00u:33m:7,2s wordt gehanteerd voor de Umm al Binni krater.

In het tweede essay werd gewag gemaakt van het feit dat wanneer vanaf de piek van de Ararat met 7,16 graden naar het zuiden en 0,12 graden naar het oosten wordt gerekend, de oostelijke oever van de oude bedding van de Eufraat, pal voor het voormalige Koninklijke Paleis in Babylon, wordt bereikt. De Babylonische elite vonden het kennelijk een zodanig relevante plek dat precies daar aan de Eufraat, het paleis moest worden gebouwd. De coördinaten van deze plek in Babylon, gerekend vanaf de Ararat, zijn 32,5422 NB en 44,4186 OL.

De lengtegraad van deze Eufraat/Paleis locatie ligt aldus 0,0022 graden westelijker dan die van het middelpunt van de grote Ziggoerat in Babylon op 44,4208 graden OL. Alweer verschijnt 22, maar nu achter de komma in graden ten opzichte van Marduk’s penthouse op de Ziggoerat.

Maar het is het lokale inslagtijdstip voor de Eufraat/Paleis locatie in Babylon op 44,4186 OL dat de Jackpot oplevert inzake de inslag van 2.260 v.chr.: het zou er namelijk 00u:22m:22,512s zijn geweest. Althans wanneer als inslagtijdstip 00u:33m:7,2s wordt aangehouden voor het middelpunt van de Umm al Binni krater op 47,1048 OL, zoals de berekening hieronder laat zien.

j)

47,1048 graden OL – 44,4186 graden OL = 2,6862 graden

2,6862 x 4 minuten = 10,7448 minuten = 10 minuten en 44,688 seconden

(33m + 7,2s) – (10m + 44,688s) = 22 minuten en 22,512 seconden

En zo zien we 22 minuten en 22 seconden na middernacht en de 512 bevestigingscode van het Zondvloedmodel als duizendsten van een seconde in dit inslagtijdstip in Babylon op de Eufraat/Paleis locatie opduiken. En de Juliaanse datum hiervoor zou vrijdag 22-11 geweest zijn.

Een additionele bevestiging geeft het getal 22 vervolgens met betrekking tot de positie van de Eufraat/Paleis locatie, ten opzichte van het middelpunt van de Umm al Binni krater. De krater ligt ten zuidoosten – op 133,62966 graden – van de Eufraat/Paleis locatie in Babylon. Wanneer dit als minuten wordt herschreven dan zien we 22,27161 minuten verschijnen. Ofwel 22,2 plus het 716 rijtje van het Precessiegetal. En dit terwijl in het eerste essay al werd berekend dat de Hiawatha krater op Groenland op 51,26 minuten van Babylon gelegen is; daarmee het Maya getallenrijtje en de westelijke (512) en oostelijke datums (126) voor de inslag van 10.876 v.chr. repeterende.

k)

133,62966 /360 x 60 = 22,27161

We moeten het doen met de vele hints rond het Meestergetal 22, dat het tijdstip 00u:33m7,2s op 22 november het lokale inslagtijdstip in de Umm al Binni krater is geweest. Het inslagtijdstip zat op ingenieuze wijze in de Maya cyclus verscholen. En de lengtegraad van het middelpunt van de krater (op 47,1048 OL) kan aldus worden vastgesteld aan de hand van het dubbele ezelsbruggetje dat vanaf de lengte van de Maya cyclus, via de piek van de Ararat, naar de Eufraat/Paleis locatie loopt. Het is passen en meten met tienduizendsten van graden; maar de hints met Meestergetal 22 zijn niettemin duidelijk. In Nineveh was het bij de Ishtar tempel op deze manier overigens 00u:17m:18,888s tijdens de inslag in de Umm al Binni krater.

De fictieve Juliaanse kalenderdatum van de inslag

Maar we zijn er nog niet. De datum vrijdag 22 november voor de Sumerische Zondvloed in 2.260 v.chr. is zojuist bepaald volgens de Juliaanse kalender. Maar in het eerste essay werd voor het bepalen van de 5 december datum voor de Zondvloed in 10.876 v.chr., juist gebruik gemaakt van een fictieve kalenderdatum. Hiertoe werd de Juliaanse kalender verondersteld exact dezelfde positie in het zonnejaar te hebben gehad als bij het exacte begin van de jaartelling.

Voor de kosmische inslag in 2.260 v.chr. kan niettemin ook de fictieve kalenderdatum bepaald worden. Daartoe moet namelijk de verschuiving in dagen die de Juliaanse kalender zou hebben gemaakt vanaf 22 november 2.260 v.chr. tot aan het begin van de jaartelling, worden terug gerekend van het inslagtijdstip op 22 november 2.260 v.chr..

Dit kan eenvoudig worden gedaan door eerst de tijdspanne vanaf het veronderstelde Juliaanse starttijdstip op 6 september 22u:51m:47,6352s tot aan het begin van de jaartelling te vermenigvuldigen met 0,0078. Dit leidt, zoals hier onder wordt laten zien, tot een verschuiving van ruim 24,2838 dagen. Vervolgens moet de eerder berekende kalenderverschuiving vanaf het starttijdstip van de Maya cyclus tot en met 2.260 v.chr. van 6,662968 dagen, hiervan af worden getrokken.

l)

0,0078 x 3.113,31793699 = 24,2838799 dagen

24,2838799 – 6,662968 = 17,62091191 dagen

Totaal moet dus ruim 17,6209 dagen worden terug gerekend vanaf 22 november om 00u:33m:7,2s. Dit resulteert in de datum 4 november 2.260 v.chr. met als lokale inslagtijdstip 09u:39m:00,40s in de Umm al Binni krater op 47,1048 OL. Doordat het tijdstip ruimschoots in de ochtend valt zou het in deze fictieve berekening ver weg in het westen nog altijd 3 november zijn geweest, namelijk ten westen van 97,5956 WL. Dat is grofweg halverwege Mexico en de V.S..

Het is echter onduidelijk of dit tijdstip zover tot in detail moet worden doorgerekend om de fictieve Juliaanse kalenderdatum van de inslag te verkrijgen. Het zou namelijk best kunnen dat het oorspronkelijke idee er achter is geweest, dat afgerond 18 dagen terug moet worden geteld vanaf het Juliaanse inslagtijdstip op 22 november 2.260 v.chr.. In dat geval resulteert 4 november om 00:33m:7,2s als fictieve inslagdatum en tijdstip en dan zou het ten westen van de 38,8248 OL nog altijd 3 november zijn geweest op het moment van inslag. Dat is op een meridiaan die van noord naar zuid vanaf de Zwarte Zee door Anatolië en Syrië loopt.

Er vallen een paar zaken op:

  • Het startjaar 3.114 v.chr. van de Maya cyclus, herbergt niet alleen de breedtegraad van de Umm al Binni krater op 31,14’ graden, maar geeft tevens een westelijke (3 november) en een oostelijke (4 november)) datum voor de Sumeriaanse Zondvloed weer in de fictieve Juliaanse kalender. Iets vergelijkbaars zagen we ook al in de lengte van de Maya cyclus (zonder 1,2 jaar aftrek) van 5126,56 jaar ten aanzien van de westelijke (5 december) en oostelijke (6 december) datums voor de grote Zondvloed in 10.876 v.chr..
  • 3 november wordt als 3-11 of 11-3 geschreven. Het startpunt van de Mayacyclus ten opzichte van het begin van de jaartelling is 3113,3843 jaar. De (westelijke) 3 november datum voor de inslag lijkt aldus op dezelfde manier in het startpunt van de Maya cyclus verwerkt te zijn als de westelijke 5 december datum van de Grote Zondvloed in de lengte van de Maya cyclus van 5125,36 jaar.
  • Het middelpunt van de Zondvloedkrater op Groenland (de Hiawatha Krater) is in het eerste essay vastgesteld op 66,242 westerlengte in het Zondvloedmodel. De Umm al Binni krater in Zuid Irak op 47,1048 graden, ligt aldus 113,3468 graden oostelijker dan de Hiawatha Krater. En zo duikt opnieuw 113 (voor de komma) op.
  • De Umm al Binni krater heeft een diameter van 3,4 kilometer. Dat is opnieuw toevallig gegeven de 3 en 4 november datums voor de Sumerische Zondvloed, en zeker ook toevallig omdat in het tweede essay is laten zien dat juist ‘de meter’ als afstandsmeting voort is gekomen uit het Zondvloedmodel. Het zal dan ook niemand meer verbazen als de exacte omvang van de Hiawatha krater – door wetenschappers notabene geschat op 31,1 km +/- 0,3km – in het Zondvloedmodel eigenlijk 31,14 kilometer moet zijn.
  • De Tauriden meteorenzwerm komt eind juni en begin november voorbij de aarde. Een inslag begin november zou dan ook verband kunnen houden met de Tauriden. Het jaar 2.260 v.chr. viel overigens in de laatste fase van het astronomische tijdperk Stier (Taurus).
  • De Gregoriaanse kalenderdatums vallen zoals gezegd twee dagen voor de fictieve Juliaanse kalenderdatums. Dit impliceert dat de fictieve inslagdatums 3 en 4 november, in onze Gregoriaanse kalender op 1 en 2 november zouden zijn gevallen. Het is toevallig dat zowel 1 en 2 november christelijke feestdagen zijn, namelijk Allerheiligen en Allerzielen.
  • De oorsprong van de bekende zondvloedmythe uit Mesopotamië, het Gilgamesh Epos, wordt door wetenschappers rond 2.100 v.chr. gedateerd, ofwel na de inslag van 2.260 v.chr. voor de kust van Sumer.
  • De oprichting van de heilige stad Babylon lijkt in ongeveer hetzelfde tijdsgewricht te zijn gevallen als de Zondvloed van 2.260 v.chr.. Er zijn een aantal bronnen uit de klassieke tijd die de oprichting van Babylon enkele decennia na 2.260 v.chr. plaatsen.

Een overzicht

De informatie inzake de kosmische inslag in 2.260 v.chr. in de Umm al Binni krater in Mesopotamië, zit verstopt in de Maya cyclus. Maar het kan slechts tot ontbolstering komen met behulp van de kalender die door Julius Caesar in Rome werd geïntroduceerd in 45 v.chr.. Een technisch aspect aan de berekening van de datum van de catastrofe in 2.260 v.chr., is dat een variant van het Sexagesimale systeem moet worden gebruikt: de lengte van de Maya cyclus moet door zes worden gedeeld en het resultaat moet worden opgeteld bij het startmoment van de Maya cyclus om het jaartal 2.260 v.chr., en de Juliaanse kalenderdatum 22 november van de inslag te verkrijgen.

Het tijdstip 00u:33m:7,2s op maandag 22 november is het tijdstip voor de catastrofe in 2.260 v.chr. en zit eveneens verstopt in de Maya cyclus. Het komt pas naar voren door eerst het aantal dagen te berekenen waarmee de kalender gedurende de tijdspanne van de Maya cyclus van 5125,36 jaar naar achteren schuift. En dan vervolgens het resulterende aantal van 39,977 dagen terug te rekenen vanaf het exacte begin van een kalenderjaar.

Vervolgens is gebleken dat het Meestergetal 22, naast het getal 512, als een bevestigingscode fungeert. Dit wordt onder meer duidelijk via de Eufraat/Paleis locatie. Deze locatie wordt bepaald door eerst vast te stellen dat de hoogte van de Ararat een ezelsbruggetje met betrekking tot de Maya cyclus vormt. En door vervolgens vanaf de piek van de Ararat naar Babylon toe te rekenen met de astronomisch relevante getallenrijtjes 716 en 12 (7,16 graden zuidelijk en 0,12 graden oostelijk). Dit is in het tweede essay laten zien.

Wanneer daarna het veronderstelde inslagtijdstip 00u:33m:7,2s in het middelpunt van de Umm al Binni krater op 47,1048 OL wordt ‘geplugged’, blijkt het lokale inslagtijdstip op de Eufraat/Paleis locatie in Babylon de bevestigingscodes 22 en 512 op te leveren: 00u:22m:22,512s.

Maar de grap is natuurlijk dat het jaar 2.260 v.chr. op zichzelf al de hint geeft dat het getal 22 en het zestigtallige stelsel de oplossing van de puzzel in zich dragen. Het Zondvloedmodel is dan ook een soort magie met cijfers.

Uiteindelijk is bepaald dat 3 en 4 november de fictieve Juliaanse kalenderdata voor westelijke en oostelijke inslagdatums voor de ramp in 2.260 v.chr. zijn. Deze datums komen precies op dezelfde manier terug in het startjaar van de Maya cyclus (3.114 v.chr.) als de fictieve 5 december en 6 december datums voor de Grote Zondvloed in 10.876 v.chr. in de lengte van de Maya cyclus zonder 1,2 jaar aftrek. Het berekende jaartal 2.260 v.chr. van de inslag in de Umm al Binni krater komt overeen met de datering van het klimatologische 4.2k event en het door wetenschappers bepaalde begin van het ‘Meghalayan’ rond 2.250 v.chr..

Het is in het eerste essay besproken dat de Zondvloed in 10.876 v.chr. op een maandag viel. De inslag in 2.260 v.chr. viel in de Juliaanse kalender in de vroege ochtend van vrijdag 22 november, maar in Europa was het op het moment van de inslag donderdagavond.

Het starttijdstip van de Maya cyclus in de Umm al Binni krater op 47,1048 OL om 22u:51m:47,6352s op 6 september 3.114 v.chr viel op een maandag. Op westelijker gelegen locaties, zoals in Europa, geldt uiteraard een vroeger lokaal starttijdstip voor de Maya cyclus, maar het was daar eveneens maandag 6 september in de Juliaanse kalender. Het eindpunt van de Maya cyclus op 21 december 2012 viel op een vrijdag.

Belangrijk om op te merken is dat de Umm al Binni krater misschien niet de enige krater is die bij de inslag van 2.260 v.chr. is geslagen. Misschien zijn er nog andere inslagkraters onder het water van bijvoorbeeld de Indische Oceaan of de Zwarte Zee die bij dezelfde kosmische inslag gecreëerd zijn, maar die niet zichtbaar zijn en daardoor ook geen onderdeel van het Zondvloedmodel zijn.

Tot slot

In drie essays is uiteen gezet dat de door Julius Caesar geïntroduceerde kalender en de lange Maya cyclus onderdelen vormen van een astronomisch model uit de Oudheid. Dit rekenmodel, dat hier het Zondvloedmodel is genoemd, heeft zijn basis in het tijdstip en de locatie van een grote kosmische inslag in 10.876 v.chr. op Groenland. Deze inslag heeft destijds de grote Hiawatha Krater achter gelaten.

De Maya cyclus blijkt een magische trukendoos te zijn, die met behulp van de kalender astronomische catastrofes kan dateren. Dit geldt niet alleen voor de grote inslag in 10.876 v.chr.; het primaire doel van de Maya cyclus lijkt de datering van de inslag in 2.260 v.chr. te zijn, die de Umm al Binni krater in Zuid-Irak veroorzaakt heeft. De kalender oogt in samenhang met de Maya cyclus dan ook als een soort doomsday clock.

De astronomische en geometrische precisie van het Zondvloedmodel is extreem hoog. Te hoog misschien voor een beschaving zoals die van het oude Mesopotamië, die technologisch inferieur was aan de onze. De manier waarop deze precisie tot uitdrukking komt is bijvoorbeeld middels de tempellocaties in Babylon die een onderdeel van het Zondvloedmodel vormen, maar ook bijvoorbeeld in de bepaling van de hoogte van de Ararat. Het doet vermoeden dat de tempelbouwers geavanceerde kaarten en instrumenten tot hun beschikking hadden die niet door hun eigen beschaving waren geproduceerd, maar door een eerdere beschaving. En allicht was dat de beschaving die ook verantwoordelijk is geweest voor het registreren en doorgeven van de gegevens van de Zondvloed in 10.876 v.chr..

Een openstaande vraag ten aanzien van het magische karakter van het Zondvloedmodel is of de Maya cyclus voor of na de catastrofe van 2.260 v.chr. gefabriceerd? Met andere woorden: is de Maya cyclus slechts een historisch, of ook een voorspellend instrument? En stond de Ishtar tempel in Nineveh aldus reeds op haar plek op 36,36 graden NB voor het jaar 2.260 v.chr.? Als de Maya cyclus tevens een voorspellend instrument is, dan is de term ‘magie’ uiteraard meer dan op zijn plaats.

En tot slot: wie of wat is in staat geweest om de getallenmagie van het Zondvloedmodel te ontwerpen? De ‘Magi’ of de Goden?