De klimatologische ‘Jonge Dryas’ periode is een mysterieus tijdsgewricht geweest aan de vooravond van ‘de beschaving’. Na een paar duizend jaar opwarming vanaf het einde van de laatste IJstijd, werd het kort na 10.900 v.chr. plots opnieuw kouder, terwijl de zeespiegel juist substantieel steeg. De Jonge Dryas duurde bijna 1.300 jaar tot ongeveer 9.600 v.chr., toen het al even plotseling, veel warmer werd.

De mogelijke oorzaken en exacte timing van deze klimaatomslagen, en of ze al dan niet verband houden met zondvloedmythen en ‘verloren beschavingen’, zijn al jaren onderwerp van discussie. Dit essay sluit daar op aan: het zal laten zien dat de datum van het begin van de Jonge Dryas in de Juliaanse kalender verstopt zit. De Juliaanse kalender is namelijk een onderdeel van een pre-christelijk rekenmodel dat zijn basis heeft in het tijdstip van een grote kosmische inslag ten tijde van de Jonge Dryas. Dat catastrofale moment kan herleid worden tot 5 december van het jaar 10.876 v.chr., zoals straks duidelijk zal worden. Bovendien speelt een grote inslagkrater onder het ijs van Groenland, een hoofdrol in het rekenmodel rond de Juliaanse kalender.

De kalender van Julius Caesar

De Juliaanse kalender werd door zijn naamgever Julius Caesar, per 1 januari 45 v.chr. in Rome ingevoerd. De basis van het Juliaanse kalenderjaar is 365 dagen, plus iedere vier jaar een extra schrikkeldag. Caesar heeft het idee voor zijn kalender aangereikt gekregen door de astronoom Sosigenes in Alexandrië in 47 v.chr.. Het Juliaanse kalendermodel is dus niet authentiek Romeins, maar komt uit het Midden-Oosten. Alexandrië was vanaf kort na 300 v.chr. de intellectuele hoofdstad van het Midden-Oosten, toen het die rol overnam van Babylon.

Het is onbekend hoe lang astronomen uit het Midden-Oosten al gebruik maakten van dit kalendermodel voordat Caesar het in Rome invoerde, maar de kalender is in ieder geval pre-christelijk. Het is dan ook opvallend dat de Juliaanse kalender door het Vaticaan in de vroege Middeleeuwen zonder onderbreking is voortgezet. Dit in tegenstelling tot de in de zevende eeuw opkomende Islam, dat het ter zijde schoof ten faveure van een maankalender. Pas in 1582 is een aanpassing in de Juliaanse kalender gedaan, die tot onze huidige Gregoriaanse kalender heeft geleid.

Het gemiddelde Juliaanse kalenderjaar van 365,25 dagen is vrijwel gelijk aan een zonnejaar van 365,2422 dagen. De kalender heeft niettemin onopgehelderde karakteristieken. Het is bijvoorbeeld onduidelijk waar het beginpunt van de christelijke jaartelling daadwerkelijk op terugslaat. Het is in ieder geval niet de geboorte van de mythische Jezus: door theologen wordt dat juist een paar jaar voor het begin van de jaartelling geschat. Het is daarnaast onduidelijk waarom het startpunt van kalenderjaren (1 januari) op een ogenschijnlijk irrelevante dag, ruim een week na de winterwende valt. Deze onduidelijkheden rond de kalender zijn niettemin op te helderen, door de kalender een connectie met het begin van de Jonge Dryas te laten maken.

Een kosmische inslag op Groenland?

Sinds 2007 is onder wetenschappers een hypothese in opkomst, die de klimaatverandering bij het begin van de Jonge Dryas, koppelt aan kosmische inslagen op de ijskap die Noord-Amerika destijds deels bedekte. Een handzaam overzicht van bestaande wetenschappelijke studies inzake de Younger Dryas Impact Hypothesis kunnen worden gevonden op de website van de Cosmic Tusk.

Deze hypothese wordt de Younger Dryas Impact Hypothesis genoemd. Het volgt in zeker zin op werk van de astronoom Edmond Halley en de theoloog/mathematicus William Whiston eind zeventiende eeuw. Whiston stelde in 1696 dat een komeet de oorzaak is geweest van de Bijbelse Zondvloed. Het Amerikaanse Congreslid, Ignatius Donnelly, deed in 1883 ook een duit in het zakje met het boek Ragnarok. Hierin stelde hij dat de aarde rond 10.000 v.chr. getroffen werd door een komeet, met onder meer een Zondvloed en een klimatologische catastrofe tot gevolg.

Recent wetenschappelijk onderzoek suggereert dat Donnelly er niet heel ver naast zat: analyses van ijskernen op Groenland middels koolstofdateringen indiceren namelijk dat er in de jaren rond 10.880 v.chr., minimaal één significante kosmische inslag heeft plaatsgevonden. Dit is tevens het ogenschijnlijke begin van de Jonge Dryas.

Volgens een uitgebreide wetenschappelijke studie uit 2018 door Wolbach e.a. inzake de Younger Dryas Impact Hypothesis, is bijvoorbeeld rond 12.828 cal BP (calibrated & Before Present) een piek in ammonium in de ijskernen zichtbaar. Daarnaast wordt in de studie van Wolbach e.a. verwezen naar een onderzoek uit 2013 (door Petaev e.a.), dat een zeer grote sprong in platina laat zien bij het veronderstelde begin van de Jonge Dryas. Het bouwt zich vanaf het jaar 12.836 cal BP gedurende een periode van 14 jaar op, waarna in 12.822 cal BP een duidelijk hoogtepunt wordt bereikt. Daarna volgt 7 jaar van afbouw tot 12.815 cal BP.

De notaties voor jaartallen in de vorm van ‘cal BP’ zijn wetenschappelijke formuleringen: wetenschappers geven de koolstofdateringen van hun bevindingen niet weer in onze jaartelling, maar als ‘before present (BP)’. Daarmee bedoelen ze echter het aantal jaren ‘voorafgaand aan het jaar 1950 van onze jaartelling’. De corresponderende jaren voorafgaand aan onze jaartelling worden dan ook verkregen door 1949 jaar (het jaar Nul bestaat niet in onze jaartelling) af te trekken van de door de wetenschappers gepubliceerde dateringen. Het platina hoogtepunt in de ijskernen voor 12.822 cal BP is op deze manier vergelijkbaar met 10.873 v.chr. in onze jaartelling. De piek in ammonium is in onze jaartelling gelijk aan 10.879 v.chr..

Interessant met betrekking tot deze jaartallen is een onderzoek van aardlagen in de Syrische nederzetting Abu Hureyra door Moore e.a.. Zij concluderen dat de aardlagen aldaar de consequenties van een kosmische inslag rond het jaar 12.825 cal BP laten zien. Het jaar 12.825 cal BP staat gelijk aan 10.876 v.chr..

Hoewel een kleine foutenmarge moet worden aangehouden voor deze wetenschappelijke resultaten, suggereren ze dat kort na 10.880 v.chr. een grote kosmische inslag heeft plaatsgevonden. Maar misschien is dit vooraf gegaan door een aantal kleinere inslagen, afgaande op de 14 jaar opbouw van platina in de door Petaev e.a. onderzochte ijskernen. Niettemin ontstaat op basis van het wetenschappelijke onderzoek naar de Younger Dryas Impact Hypothesis het beeld dat de kosmische inslag een enorme catastrofe moet zijn geweest; misschien wel de grootste ramp in de geschiedenis van de mensheid. Deze ramp heeft onder de overlevenden en hun nazaten dan ook allicht lang voortgeleefd in mythes en astrologische concepten.

Petaev e.a. concludeerden in hun onderzoek uit 2013 overigens ook, dat het object dat is ingeslagen een grote krater moet hebben achter gelaten op het aardoppervlak. Toevalligerwijs werd een aantal jaren later, in 2018, een grote inslagkrater, onder het ijs van de Hiawatha Gletsjer in Noordwest-Groenland gevonden. De krater heeft een diameter van 31km. Het door wetenschappers onderzochte ijs onderin de krater, lijkt vooralsnog te wijzen op de Jonge Dryas periode, maar er moet nog meer onderzoek plaatsvinden. Verderop in dit essay zal echter duidelijk worden dat de Hiawatha krater op Groenland inderdaad de Zondvloedkrater is. Maar eerst moet de datering van de veronderstelde kosmische inslag kort na 10.880 v.chr., en de daarmee samenhangende klimaatverandering onder de loep worden genomen.

De pre-christelijke berekening van de Zondvloeddatum

Het veronderstelde startpunt van de Jonge Dryas kort na 10.880 v.chr valt anders gezegd, een kleine 10,88 millennia voor het het begin van de christelijke jaartelling. Het exacte begin van de christelijke jaartelling is voortgekomen uit de Paastabel. Deze tabel werd rond 520 n.chr. door de geleerde Dionysius van Exiguus ontwikkeld om de datums voor het christelijke Paasfeest te kunnen berekenen. Maar hij deed dit op basis van veel oudere astronomische gegevens die hij in Alexandrië had opgeduikeld.

Het getal 10,88 (millennia) als begin van de Jonge Dryas periode is opvallend: het komt namelijk overeen met het verschil van bijna 10,88 dagen, tussen een zonnejaar en een maanjaar. Is dat toeval? Of zouden het begin van de jaartelling, en het verschil tussen zon – en maanjaar van bijna 10,88 dagen, ooit samen als ezelsbruggetje hebben gediend in een astronomisch rekenmodel? Dit allicht om de datum van het incident dat de Jonge Dryas veroorzaakte (de kosmische inslag, de Zondvloed) te kunnen onthouden?

Het idee dat astronomen uit het Midden-Oosten tot in de Klassieke Oudheid wisten wanneer de Jonge Dryas inslag had plaatsgevonden, is misschien minder raar dan men in eerste instantie zou denken. Het is namelijk welbekend dat intellectuelen uit het Oude Egypte en Mesopotamië een historische perspectief tot zeer ver terug hadden. En als er één moment in de geschiedenis is geweest dat astronomen zeker zouden hebben willen onthouden, dan is het de Jonge Dryas inslag en de bijbehorende Zondvloed.

Gelukkig is dit veronderstelde pre-christelijke ezelsbruggetje voor de Zondvloeddatering gemakkelijk na te bootsen met gegevens uit de Klassieke Oudheid voor zon – en maanjaar. Het gaat als volgt (in decimalen): voor het zonnejaar wordt gerekend met 365,2422 dagen. Voor een maanjaar wordt gebruik gemaakt van een Babylonische synodische maand met zes cijfers achter de komma, van 29,530594 dagen. Dit is de variant die in de Hebreeuwse kalender wordt gebruikt. Wanneer deze synodische maand vermenigvuldigd wordt met twaalf, wordt een maanjaar berekend van 354,367128 dagen.

a)

Zonnejaar = 365,2422

Maanjaar = 354,367128 –

Verschil = 10,875072

Door de lengte van een maanjaar af te trekken van een zonnejaar wordt het verschil van in totaal 10,875072 dagen verkregen. Daarna kan het bovengenoemde trucje worden uitgehaald: het verschil wordt met duizend vermenigvuldigd en vervolgens vanaf het begin van de jaartelling als jaren terug in de tijd gegooid. Zo wordt 10.875,072 jaren voor onze jaartelling bereikt.

Vervolgens moet 0,072 jaar worden teruggerekend vanaf de jaarwisseling van 10.876/10.875 v.chr.. Het jaar 10.876 v.chr is geen schrikkeljaar en zodoende wordt 0,072 vermenigvuldigd met 365 dagen. Dit resulteert in 26,28 dagen, waarmee wordt teruggerekend vanaf de jaarwisseling. Op deze manier komt het tijdstip 17u:16m:48s op 5 december van het jaar 10.876 v.chr. uit de bus rollen.

b)

0,072 jaar x 365 dagen = 26,28 dagen

365 dagen – 26,28 dagen = 338,72 dagen = 5 december, 17u:16m:48s

De Juliaanse kalender bestond destijds uiteraard nog niet. Doordat vanaf het begin van onze jaartelling in de tijd is teruggerekend naar 10.876 v.chr., gaat het om een fictieve kalender, die exact hetzelfde in het zonnejaar is gepositioneerd als de Juliaanse kalender bij het exacte begin van onze jaartelling.

De Juliaanse kalender draait in werkelijkheid echter met gemiddeld 365,25 dagen per jaar, 0,0078 dagen langzamer dan het zonnejaar van 365,2422 dagen. Indien de kalender vanaf het begin van de jaartelling vrijwel elf millennia zou worden teruggedraaid met een gemiddelde van 365,25 dagen per jaar, dan zou het berekende tijdstip in de Juliaanse kalender op maandag 28 februari, 10.875 v.chr. zijn gevallen. De onderstaande berekening laat dit zien.

c)

d)

e)

f)

365,25 dagen – 365,2422 dagen = 0,0078 dagen

0,0078 dagen x 10875,072 jaar = 84,8255616 dagen

84,8255616 / 365 = 0,2324

– 10.875,072 + 0,2324 = – 10.874,8396 = 28 februari 10.875 v.chr.

De laatste dag van februari is toevalligerwijze Oudejaarsdag geweest in de Republikeinse kalender die in Rome gangbaar was, voordat Caesar in 45 v.chr. zijn kalender inbracht: kalenderjaren begonnen destijds namelijk op 1 maart. Voor het gemak wordt in de rest van dit essay echter de fictieve kalenderdatum 5 december, 10.876 v.chr. gebruikt.

Onopgehelderde karakteristieken van de Juliaanse kalender

Het jaartal 10.876 v.chr. correspondeert extreem goed met de wetenschappelijke bevindingen inzake de gevonden pieken in platina (10.873 v.chr.) en ammonium (10.879 v.chr) en het materiaal in Abu Hureyra (10.876 v.chr.). Maar moet 5 december 10.876 v.chr, om 17u:16m:48s, daadwerkelijk het Zondvloedtijdstip voorstellen? En zo ja: hoe oud was het Juliaanse kalendermodel dan al op het moment dat de astronoom Sosigenes er in 47 v.chr. met Julius Caesar over in conclaaf ging?

Als het berekende tijdstip op 5 december 10.876 v.chr. het moment is geweest van de kosmische inslag die de Jonge Dryas heeft veroorzaakt, dan zijn de eerder genoemde onduidelijkheden rond de Juliaanse kalender in één klap opgehelderd. Ze vloeien dan namelijk voort uit het ezelsbruggetje met het verschil tussen zon – en maanjaar, gerekend vanaf het moment van de inslag. Het eindpunt van het ezelsbruggetje viel toevallig laat in de avond, ruim een week na de winterwende. En dit bijzondere punt werd dan niet alleen het latere begin van de christelijke jaartelling, maar logischerwijze ook het beginpunt van kalenderjaren en kalenderdagen.

Maar het idee dat astronomen in de Klassieke Oudheid exacte gegevens tot hun beschikking hadden over een kosmische catastrofe die ruim tien millennia voordien had plaatsgevonden, is vanuit modern historisch perspectief volstrekt absurd. Er zijn nochtans een aantal aanwijzingen dat dit toch echt het geval is geweest.

5 december 10.876 v.chr. zit in meerdere kalenders verweven

Er zijn vier verschillende indicaties dat het berekende tijdstip op 5 december, 10.876 v.chr., sowieso een belangrijke datum/tijdstip is:

1) Sint Nicolaas en de 5 december datum

In het oude Rome was 5 december tot eind vijfde eeuw een feestdag voor de populaire vruchtbaarheidsgod Faunus. Rond 500 n.chr. heeft het Vaticaan Faunus vervangen door Sint Nicolaas. De Sint werd de belangrijkste katholieke heilige en zijn overlijdensdatum werd door de Kerk op 6 december gezet. In het Katholieke Vlaanderen viert men Sinterklaas dan ook in de ochtend van 6 december. Maar specifiek in Nederland viert men Sinterklaas nog altijd in de (vroege) avond van 5 december.

Het Sinterklaasfeest lijkt een ritueel ter bezwering van het kwaad weer te geven: in Nederland wordt god door de Sint uitgebeeld en de duivel door Zwarte Piet. Het is bekend dat dit ritueel vanaf medio negentiende eeuw de eveneens duivelse Zwarte Klazen verving. Het is echter onduidelijk of de ‘5 december’ datum reeds in de Romeinse tijd of pas in de Middeleeuwen in onze streken verzeild is geraakt.

Maar ten aanzien van de relatie tussen de Sint en de Zondvloed is het vooral frappant dat ons woord ‘zondvloed’ van het Middelnederlandse woord ‘sintvloed’ afkomstig is. Het woord ‘sint’ heeft in de Middeleeuwen dan ook ogenschijnlijk een dubbelzinnige betekenis gehad op basis van het Latijnse woord voor ‘heilige’ en een Germaans woord voor ‘zonde’. In het Duits (Sintflut) en het Zweeds (syndaflod) worden nog steeds vergelijkbare varianten van deze Germaanse uitdrukking gebruikt om de Zondvloed mee te duiden. Maar het is tevens opmerkelijk dat de Babylonische maangod de naam Sin had, en de catastrofe zoals gezegd op een maandag viel. En Babylon is bijzonder relevant in de Zondvloedkwestie zoals we gaan zien.

2) Het inslagtijdstip en haar relatie met het getal 72

Het berekende Zondvloedtijdstip 17u:16m:48s op 5 december, 10.876 v.chr. heeft ‘iets speciaals’ met het getal 72 achter de komma.

  • Er is op dat moment nog 0,072 jaar te gaan tot de jaarwisseling van 10.876/10.875 v.chr..
  • Het tijdstip valt na exact 72 procent (0,72) van een etmaal van 24 uur.
  • Na 16 minuten en 48 seconden is exact 28 procent van een uur voorbij. Er is dan dus nog precies 72 procent (0,72) van een uur te gaan.
  • Het Zondvloedtijdstip wordt gevonden door in de berekening van het maanjaar gebruik te maken van een Babylonische synodische maand met 6 cijfers achter de komma. En 6 x 12 maanden = 72.

Deze combinatie van 72s achter de komma in één tijdstip is op zichzelf al wonderlijk toevallig. Maar vooral intrigerend is dat het om het getal 72 gaat. Het getal 72 is namelijk het astronomische Precessiegetal. Hoewel één graad op de astronomische Precessiecyclus van totaal 25.776 jaar in werkelijkheid op 71,6 jaar wordt geschat door astronomen, wordt in literatuur en symboliek vaak het afgeronde getal 72 gebruikt.

g)

71,6 jaar x 360 graden = 25.776 jaar

Het feit dat de veronderstelde Zondvloedberekening op de 72s achter de komma stuit, suggereert dat er met dit tijdstip sowieso iets aan de hand is in relatie tot de Juliaanse kalender en onze manier van tijdrekenen. Onze manier van tijdrekenen op basis van dagen van 24 uur, en uren van 60 minuten, komt naar verluidt uit Babylon. En de Babyloniërs hadden het weer uit Sumer vandaan. De vraag is: hadden ze in Sumer dit idee van zichzelf?

3) De lange cyclus uit de Maya kalender

De lange Maya cyclus begon op 11 augustus 3.114 v.chr. in de Gregoriaanse kalender en eindigde 5.125,36 jaar later tijdens de winterwende op 21 december 2012. De Maya cyclus is een veelzijdig instrument dat op zichzelf een essay vergt om goed uit de doeken te kunnen doen. Het essay over de Maya cyclus kan hier gevonden worden en is een must read. Hieronder volgen een paar relevante conclusies eruit.

De lange cyclus van de Maya’s is niet authentiek Maya. Het is een astronomische truckendoos, behorende bij de Juliaanse kalender en is zodoende – net als de Juliaanse kalender – oorspronkelijk uit het Midden-Oosten afkomstig. Het is nochtans door Europeanen bij de Maya’s in Midden-Amerika gevonden.

Het getallenrijtje van 5.125,36 jaar dat de lengte van de Maya cyclus omvat, laat dan ook letterlijk 5 december (512) en december 5 (125) voor de komma zien. Daarnaast zit in de lengte van de Maya cyclus verstopt, dat degenen die ooit het rekenmodel gebouwd hebben, met 71,6 jaar rekenden voor een graad op de zojuist genoemde Precessiecyclus. Een eerste hint daartoe wordt gegeven door het feit dat 5125,36 jaar gelijk staat aan exact 71,6 jaar in het kwadraat minus 1,2.

h)

5.125,36 = ( 71,6 )² – 1,2

Wanneer vervolgens met exact een halve Precessiecyclus van 12.888 jaar wordt teruggerekend vanaf het einde van de Maya cyclus op 21 december 2012 komt men uit op de winterwende van eind 10.877 v.chr.. Dit is toevallig de laatste winterwende geweest voor de veronderstelde Zondvloeddatum op 5 december 10.876 v.chr.. Let op met meerekenen: het jaar Nul bestaat niet.

i)

j)

71,6 jaar x 180 graden = 12.888 jaar

2011,97 jaar (eind Maya cyclus) – 12.888 jaar = 10.876,03 jaar voor jaartelling

Zonder de aftrek van 1,2 jaar na de kwadratering van 71,6, zou de lengte van de Maya cyclus 5.126,56 jaar zijn. Dit getallenrijtje geeft tevens een hint naar ‘het waarom’ van de 6 december datum voor de katholieke sterfdag van Sint Nicolaas. Er staat in het getallenrijtje 5.126,56 volgens dezelfde methodiek als zojuist, namelijk 5 december (512) en december 6 (126) voor de komma. En de 5 en 6 herhalen zich in die volgorde achter de komma. Over de 6 december kwestie inzake Sint Nicolaas volgt straks meer.

k)

( 71,6 )² = 5.126,56

Tenslotte nog over de 1,2 jaar aftrek: Julius Caesar werd 1,2 jaar na invoering van zijn kalender, op het middaguur van 15 maart 44 v.chr. in de Senaat vermoord. In een normaal jaar van 365 dagen bestaat 1,2 jaar uit 438 dagen:

l)

1,2 x 365 dagen = 365 + 73 dagen = 438 dagen

Het jaar 45 v.chr. was echter een schrikkeljaar, waardoor Julius op 439,5 dagen na invoering van zijn kalender is vermoord. Dit kan worden geschreven als 438 dagen + 36 uur of 1,2 jaar + 36 uur. Best opmerkelijk ten aanzien van de getallenrijtjes 438 en 1,2 is dat uitgerekend 15 maart 44 v.chr., op 43,8 jaar voor het begin van de jaartelling viel. Caesar werd aldus 43,8 jaar – 12 uur voor het begin van de jaartelling vermoord.

Het getal 36 is een speciaal getal: de Maya cyclus van 5.125,36 jaar eindigt ermee achter de komma. Maar het staat ook gelijk aan 6 x 6 en 1 t/m 36 bij elkaar opgeteld = 666. Caesar was dan ook door een profeet gewaarschuwd niet naar de Senaat te gaan op de dag van de moord.

4) De kalender van de oude Egyptenaren

In de nasleep van de Napoleontische veldtocht in Egypte rond 1800, nam de kennis in Europa over de Oudheid aanmerkelijk toe. Zo poneerde de Assyrioloog Julius Oppert medio negentiende eeuw, dat astronomische observaties door mensen, ten behoeve van zowel de Egyptische kalender gebaseerd op de ster Sirius, als de Assyrische maankalender, in het jaar 11.542 v.chr begonnen zijn. Volgens Egypte expert, Wim Zitman, vond de eerste vanuit Zuid-Egypte zichtbare opkomst van de ster Sirius, plaats op 19 juli in 11.542 v.chr..

Het zojuist berekende jaar van de Zondvloed in 10.876 v.chr, viel 666 jaar na 11.542 v.chr.. Dat uitgerekend dit ‘duivelse’ getal tussen de oorsprong van de Egyptische en Assyrische kalenders en de Zondvloeddatum eruit springt, is op zichzelf frappant. Niet alleen schijnt het extra licht op de Sinterklaasrituelen met de duivel, maar tevens hebben we een mogelijke achtergrond voor het vermeende duivelse karakter van de drie zessen te pakken. Het ‘kwaad’ zou in dit geval 666 jaar na de oorsprong van de Egyptische en Assyrische kalenders in 11.542 v.chr., hebben toegeslagen middels een kosmische inslag. Het gaat om precies te zijn om 666,4 jaar tussen beide datums.

Al met al, suggereert bovenstaande analyse dat 5 december 10.876 v.chr. hoe dan ook een speciale astronomische datum is geweest en verweven zit in de oude kalenders. Maar er is meer: in de Klassieke Oudheid wist men namelijk ook waar de in 2.018 onder een dikke laag ijs gevonden inslagkrater op Groenland lag. En het middelpunt van de krater is zelfs een onderdeel van hetzelfde rekenmodel waar de Juliaanse kalender deel van uitmaakt.

Het oude Rome en de inslagkrater op Groenland

De Lupercal was de mythische geboortestek van Rome, waar de grot van Romulus zich zouden hebben bevonden. De Lupercal was ook de plek waar op 15 februari de belangrijke Lupercalia vruchtbaarheidsfeesten werden gehouden. De beeltenis van de eerder genoemde Romeinse vruchtbaarheidsgod Faunus (met 5 december feestdag) bevond zich eveneens op de Lupercal.

De afstand van de Lupercal in Rome ten opzichte van de Hiawatha krater op Groenland levert een eigenaardig toeval op. Met behulp van Google Maps valt op dat het middelpunt van de krater, ‘qua breedtegraad’ op ongeveer 78,726 graden noorderbreedte ligt. Maar het heilige hart van Rome is letterlijk gebouwd op 78,726 graden ten oosten van de meridiaan, die het middelpunt van de krater van noord naar zuid snijdt (op 66,242 graden westerlengte).

m)

78,726 graden afstand – 66,242 graden WL = 12,484 graden OL

De Lupercal bevond zich namelijk op 12,484 graden oosterlengte. Verder van zuid naar noord stonden de tempels van Saturnus (gebouwd in 497 v.chr.), Vespasianus, Concordia en Trajanus eveneens op 12,484 graden oosterlengte. De breedtegraad van het middelpunt van de krater is aldus tot zelfs drie cijfers achter de komma gekopieerd in de oost-west afstand tussen het heilige hart van Rome en het middelpunt van de Hiawatha krater. Is dat toevallig?

In de oudheid was men zodanig verzot op geometrie, dat de positie van de Eeuwige Stad ten opzichte van de krater op Groenland, een aanwijzing kan zijn dat men ten tijde van de stichting van het antieke Rome op de hoogte was van de locatie van de Zondvloedkrater. En bovendien dat de stichters van Rome het in hun locatiekeuze wilden weergeven.

Waar is de overlijdensdatum van Sint Nicolaas op gebaseerd?

Het berekende Zondvloedtijdstip om 17u:16m:48s, op 5 december 10.876 v.chr., vraagt dan ook om een experimentje. Wanneer het als inslagtijdstip wordt verondersteld voor de krater op Groenland (als lokale tijd), kunnen corresponderende ‘lokale’ tijdstippen van de kosmische inslag elders worden berekend. Zo kan dan bijvoorbeeld worden bepaald, waar op aarde het middernacht tussen 5 en 6 december was op het moment van de catastrofe op Groenland.

Een etmaal is verdeeld in 1440 minuten en de aarde is verdeeld over 360 lengtegraden: corresponderende lokale tijdstippen ten oosten van de krater, kunnen dan ook gevonden worden door 4 minuten per lengtegraad op te tellen vanaf het inslagtijdstip in de krater (1440/360 = 4). Het punt waar vandaan in dit experiment gerekend moet worden is aldus de krater op Groenland op 66,242 graden westerlengte en tijdstip 17u:16m:48s op 5 december 10.876 v.chr..

Het was op deze manier zodoende exact middernacht tussen 5 en 6 december op 34,558 graden oosterlengte in dit rekenmodel. Dit is op een lijn die onder andere over de oostpunt van Cyprus en de grens van Egypte en Israël loopt. Ten westen van deze lijn was het nog altijd 5 december, maar ten oosten hiervan was het inmiddels 6 december op het moment van de kosmische inslag op Groenland. In bijvoorbeeld Mesopotamië was het in dit rekenmodel de veertigste minuut na middernacht op 6 december. Belangrijk voor straks: op de plek van de stad Babylon op ongeveer 44,4205 OL was het 00u:39m:27s op 6 december, 10.876 v.chr..

Wat dit experimentje laat zien is dat de ‘officiële’ overlijdensdatum van Sint Nicolaas op 6 december, zoals geponeerd door de Kerk, ogenschijnlijk is gebaseerd op de oosterse (Babylonische) datum voor de Zondvloed in dit rekenmodel. En zo kan tevens worden geconcludeerd dat het eerder genoemde Maya getal 5126,56 (zonder de 1,2 jaar aftrek), verwijst naar westerse (5 december) en oosterse (6 december) datums voor de Zondvloed in de Juliaanse kalender.

Dit lijkt overigens bevestigd te worden door de positie van Babylon ten opzichte van de Hiawatha krater. Het middelpunt van de krater ligt gezien vanuit Babylon op 307,56 graden (waarbij 360 graden het ‘noorden’ is). Verbazingwekkend is dat als dit getal wordt herschreven als ‘minuten’ er uit komt rollen dat het middelpunt van de krater een positie heeft op letterlijk 51,26 minuten van Babylon (waarbij 60 minuten het noorden is). Hetzelfde getallenrijtje als in het Maya getal zonder 1,2 jaar aftrek aldus.

n)

o)

307,56 / 360 x 60 = 51,26 minuten

307,56 – 180 graden = 127,56 graden

Omgekeerd ligt Babylon gezien vanuit het middelpunt van de krater op 127,56 graden. Het toeval wil dat het getal voor de komma – 127 – de geboortedatum van Julius Caesar weergeeft; 12 juli. En het is de geboortedatum van Caesar dat tot de belangrijkste sleutel van het Zondvloedmodel leidt zoals straks duidelijk zal worden.

Julius Caesar’s sterfdag op 15 maart 44 v.chr.

Voor de lezer zijn de coördinaten voor het middelpunt van de krater (78.726 graden noorderbreedte en 66,242 graden westerlengte), allicht uit de lucht komen vallen. Waarom niet een duizendste graad noordelijker of oostelijker voor het middelpunt? Op basis van de satellietfoto op Google Maps kan tenslotte onmogelijk worden bepaald of de breedtegraad van het exacte middelpunt van de krater 78,727 graden of 78,726 graden is?

Het is niettemin waarschijnlijk dat de bouwers van het Zondvloedmodel toch juist de locatie op 78,726 graden NB en de lengtegraad die de hedendaagse 66,242 WL weergeeft, gebruikten als middelpunt van de krater. In het Zondvloedmodel zijn de geboortedag en sterfdag van Julius Caesar namelijk gebruikt om deze geodetische positie van het middelpunt van de krater achter te verstoppen. Bovenstaande coördinaten komen met hulp van Caesar uit de bus rollen. Om dit te zien moeten weer een paar rekensommen worden gemaakt. Hieronder eerst de geboorte en sterfdatums voor Caesar:

  • Julius Caesar werd vermoord op het middaguur (12u) van 15 maart, 44 v.chr..
  • Julius Caesar’s geboortedatum was 12 juli, 100 v.chr. Bij gebrek aan overgeleverd geboortetijdstip ligt het voor de hand om het geboortetijdstip te interpoleren en aldus eveneens het middaguur (12u) aan te houden.

De breedtegraad van het middelpunt van de Groenlandse krater kan vervolgens gevonden worden door gebruik te maken van de volgende vier elementen:

  • Het begin van onze jaartelling
  • Het Maya getal van 5125,36
  • Het verschil in dagen tussen zon – en maanjaar, ofwel 10,875072 dagen
  • De sterfdag van Julius Caesar

We nemen van het Maya getal 5125,36, dit keer de cijfers achter de komma en springen met 36 maanjaren vanaf het begin van de jaartelling naar voren. Dit betekent eerst 36 kalenderjaren vooruit rekenen vanaf het begin van de jaartelling, en vervolgens met 36 sprongen met 10,875072 dagen terug rekenen. Dit brengt ons verrassenderwijs opnieuw op 5 december, maar dan van het jaar 35 n.chr.. Het tijdstip op deze 5 december is 11u:56m:16,0512s.

p)

36 x 10,875072 = 391,502592 – 365 = 26,502592

365 – 26,502592 = 338,4974408 dagen

338,4974408 dagen = 5 december, 11u:56m:16,0512s

Let op de 512 tienduizendsten van een seconde waar dit tijdstip op eindigt: 5-12 ofwel 5 december! Het is alsof een soort magie met cijfers plaatsvindt, maar in de context van het Zondvloedmodel bevestigt het dat we op de goede weg zitten.

Vanaf dit tijdstip moet de duur in jaren ten opzichte van het sterfmoment van Julius Caesar worden opgemeten. Terugrekenen tot de moord op Julius Caesar om 12 uur, op 15 maart, 44 v.chr, levert een tijdspanne op van 78,7260 jaar zoals hieronder wordt weergegeven. Dit getal representeert in het Zondvloedmodel de breedtegraad van het middelpunt van de krater. Het is echter weergegeven in ‘jaren’ als substituut voor graden.

q)

43,7986 jaar v.chr. + 34,9274 jaar n.chr. = 78,7260 jaar

De sleutel: Caesar’s geboortedatum en de tempels in Babylon

Achter de sterfdatum van Julius Caesar zit dus cruciale informatie verstopt inzake de Zondvloedkrater. Dat geldt in nog belangrijkere mate voor zijn geboortedatum. Er is namelijk een trucje vereist met de geboortedatum van Caesar, om de lengtegraad van het middelpunt van de krater in het Zondvloedmodel te bepalen. En met dit trucje wordt in wezen de sleutel van het model gevonden.

De tijdspanne tussen de aan ons overgeleverde geboortedatum van Caesar op 12 juli, 100 v.chr., om 12u, en het exacte begin van onze jaartelling is totaal 99,472602 jaar. Deze tijdspanne moet eerst worden getransformeerd van ‘jaren tot dagen’. Vervolgens wordt Caesar’s sterfmoment op het middaguur van 15 maart gebruikt als substituut voor het begin van de jaartelling. Wanneer vervolgens vanaf Caesar’s sterfdag op het middaguur van 15 maart, in totaal 99,472602 dagen wordt teruggerekend in de kalender, wordt 6 december, om 00u:39m:27,12s, als substituut voor Caesar’s geboortemoment bereikt. Maar dit is toevallig dezelfde datum en tijdstip als het in een voorgaande paragraaf berekende lokale inslagtijdstip in Babylon op 6 december, om 00u:39m:27s! Wat is de kans daarop?

r)

12h at 15 March = 73.5 days into a normal year

73.5 – 99,472602739726 = -25,972602739726

365 -25,972602739726 = 339,027397260274 days into a normal year

339,027397260274 days into a year = 00h:39m:27,123s at 6 december

De kans op deze match is één op 31,5 miljoen, aangezien er 31,5 miljoen seconden in een jaar zitten. Relevant is echter dat het substituut voor Caesar’s geboortemoment met 12 honderdsten van een seconde eindigt. De vraag is dan ook: met welke plek in Babylon matcht dit tijdstip op de honderdste van een seconde?

Op de satellietfoto van Babylon op Google Maps kan eenvoudig worden gezien waar de grote Ziggoerat (tempel) heeft gestaan. Het middelpunt van de grote Ziggoerat ligt duidelijk op 44,4208 graden oosterlengte. De locaties van andere tempels van weleer zijn niet meer te zien. Aldus moet men zich verlaten op kaarten en maquettes om hun posities met de satellietfoto van Google Maps te vergelijken. Een website die kaarten en maquettes laat zien van het oude Babylon is bijvoorbeeld maquettes-historiques.net .

De tempel voor de Babylonische oppergod Marduk, de Esaglia Marduk, stond iets ten zuidoosten van de grote Ziggoerat op 44,421 graden oosterlengte. De Ishtar (Venus) tempel stond iets noordoostelijker op 44,424 graden oosterlengte. Het is interessant dat de oost-west afstand van 0,003 lentegraden tussen de Esaglia Marduk en de gelegen Ishtar (Venus) tempel, in tijd correspondeert met 0,72 seconden.

Het is passen en meten, maar het lijkt de bedoeling te zijn geweest dat het substituut van Caesar’s geboortemoment, overeenkomt met het inslagtijdstip op de plek waar de Esaglia Marduk in Babylon heeft gestaan. Als we voor die plek op 44,421 graden oosterlengte, 00u:39m:27,12s aanhouden, zien we namelijk tegelijkertijd, dat het inslagtijdstip op het nipt westelijker gelegen middelpunt van de grote Ziggoerat op 44,4208 graden oosterlengte, 00u:39m:27,072s was.

En zo duikt op Marduk’s penthouse op de Ziggoerat ook weer de 72 achter de komma op. Dit was ook al meervoudig zichtbaar in het inslagtijdstip in de krater in Groenland en ook in de tijdsafstand tussen de Esaglia Marduk en de Ishtar tempel in Babylon. Let op: het inslagtijdstip op het middelpunt van de grote Ziggoerat kan worden herschreven als: 40 minuten – 33 seconden + 72 duizendsten van een seconde. In het seperate essay over de Maya cyclus gaat de getallencombinatie (40 – 33 – 72) op een andere manier terugkomen.

Het Vaticaan heeft rond 500 n.chr. deze wonderlijke match tussen Julius Caesar en Marduk in de vroege ochtend van 6 december, omarmt als sterfdatum voor hun op dat moment splinternieuwe heilige, Sint Nicolaas. De Kerk liet op die manier haar Babylonische veren zien. Maar het is dus tevens de truc om het Zondvloedmodel sluitend te krijgen: de lokale inslagtijdstippen op de tempellocaties in Babylon op 6 december, impliceren uiteindelijk dat het inslagtijdstip om 17u:16m:48s op 5 december, passend is bij precies 66,242 graden westerlengte (in de krater) in onze moderne bepaling van lengtegraden. Tevens is op deze manier de oost-west afstand tussen de Ishtar tempel in Babylon en het middelpunt van de Hiawatha krater 110,666 graden. En zo zien we ook de drie zessen weer voorbij komen als aanvullende bevestiging dat we op de goede weg zitten.

s)

66,242 WL + 44,424 OL = 110,666 graden

Bij Jupiter!

De overduidelijke connectie tussen Babylon en Rome inzake het Zondvloedmodel, roept de vraag op of de tempel van de Romeinse oppergod, Jupiter, daar ook in past. Kan Jupiter een extra bevestiging geven dat de lengtegraad van het middelpunt van de krater correct is bepaald?

De Jupiter tempel stond op het Capitolijn, iets westelijker dan de eerder genoemde Lupercal en Saturnus tempel. De locatie in Rome waar het middelpunt van de tempel voor Jupiter was gebouwd lag op 12,48161 graden oosterlengte. Het is in totaal 78,72361 graden oostelijker dan de krater. Dit betekent dat (4 x 78,72361 =) 314,89444 minuten moet worden opgeteld bij het inslagtijdstip in de krater op 66,242 graden westerlengte. En dat moet weer worden herschreven als tijdstip.

Het was op de plek van Jupiter zodoende 22u:31m:41,6664s in de avond van 5 december tijdens de kosmische inslag op Groenland. Opvallend is dat in het midden van het inslagtijdstip, het cijferrijtje van het getal pi (3,1416) zichtbaar is na 22. Het kan een aanwijzing zijn waarom Jove ooit werd omgedoopt tot Ju(pi)ter. Bovendien verschijnt achter de komma bij seconden het rijtje 6664. Deze vier cijfers tellen weer op tot 22, net als overigens de cijfers in het jaartal 10.876 v.chr.. Maar tevens is dit hetzelfde cijferrijtje, maar dan van 666,4 jaar, dat de tijdspanne betreft tussen het begin van de Egyptische kalender op 19 juli 11.542 v.chr. en de Zondvloeddatum op 5 december 10.876 v.chr.. En 666 is een bevestigingscode in het Zondvloedmodel zoals we al eerder zagen.

De planeet Jupiter is de grote beschermheer van ‘moeder aarde’ tegen kometen: de Romeinen zullen het beeld van Ju(pi)ter in hun tempel dan ook waarschijnlijk op 12,48161 graden oosterlengte hebben neergezet.

De Romeinse Republiek had geen Venus tempel. Maar Julius Caesar heeft er echter één laten bouwen in 46 v.chr., vlak voor introductie van de nieuwe kalender. Caesar noemde zich dan ook een zoon van Venus. Het beeld van Venus in de tempel stond op 12,48473 graden oosterlengte.

Meerdere vliegen in één klap

In dit essay zijn meerdere vliegen in één klap geslagen. Het is duidelijk geworden dat het Juliaanse kalendermodel zijn basis heeft in het tijdstip van een grote kosmische inslag op Groenland op 5 december in 10.876 v.chr.. Het jaartal komt overeen met de wetenschappelijke bevindingen inzake een grote kosmische inslag kort na 10.880 v.chr., en het ogenschijnlijke begin van de klimatologisch koude Jonge Dryas periode. Naar deze enorme catastrofe werd in het verleden waarschijnlijk gerefereerd als zijnde een ‘Zondvloed’.

Frappant is de intuïtieve manier waarop de belangrijkste gegevens van het Zondvloedmodel gevonden kunnen worden. Het tijdstip van de Zondvloed wordt berekend door het verschil tussen zon – en maanjaar in dagen (10,875072 dagen) als substituut te gebruiken voor millennia, en daarmee terug te rekenen vanaf het begin van de jaartelling. Het is daardoor ook duidelijk geworden wat het begin van onze jaartelling moet voorstellen: het is het moment dat logischerwijze volgde door 10,875072 millennia op te tellen bij het tijdstip van de Zondvloed. Het is aldus het andere uiteinde van het ezelsbruggetje met het verschil tussen zon – en maanjaar om het inslagtijdstip te onthouden. Dit moment heeft het beginpunt van kalenderjaren en kalenderdagen in de Juliaanse kalender bepaald. En uiteindelijk is het tot begin van de christelijke jaartelling benoemd door het Vaticaan.

De methode waarmee de coördinaten van het middelpunt van de Hiawatha Krater op Groenland gevonden kunnen worden is eveneens opmerkelijk. De coördinaten zitten verstopt achter cijfertrucjes met de geboorte en sterfdatum van Julius Caesar en de locaties van tempels in Babylon en Rome. Dit doet ogenblikkelijk de vraag rijzen of er met de ons overgeleverde geschiedenis van Julius Caesar is gerommeld, om zijn data geschikt te maken tot sleutel van het Zondvloedmodel? Het is namelijk evident dat de ‘officiële’ geboortedatum van Julius Caesar op 12 juli 100 v.chr., de belangrijkste sleutel is van het Zondvloedmodel: alleen daarmee kan namelijk het berekende inslagtijdstip worden gekoppeld aan de lengtegraad, die in het Zondvloedmodel wordt gebruikt voor het middelpunt van de Hiawatha Krater: 66,242 WL.

Ook valt op dat cijferrijtjes 512 en 666(4) als een soort bevestigingscodes opduiken zodra de juiste sleutels worden gebruikt. Het onderschrijft het intuïtieve karakter van het Zondvloedmodel.

Het is daarnaast opmerkelijk dat de lange Maya cyclus in werkelijkheid een geavanceerd cijfermatig instrument is dat behoort bij het Juliaanse kalendermodel. Het dient om binnen de context van het Zondvloedmodel, kosmische catastrofes mee te dateren. De oorsprong van het instrument kan in ieder geval worden getraceerd tot in Mesopotamië. Maar lees daartoe vooral het essay met de uitgebreidere verhandeling van de Maya kalender: het schijnt verrassend genoeg ook licht het ontstaan van de ‘meter’ als lengtemaat.

En tot slot is het voor Nederlanders allicht interessant om te weten waar hun Pakjesavond op 5 december op terugslaat: het is de datum en tijdstip van de Sintvloed. Dit terwijl voor de katholieke Vlamingen geldt dat hun viering van Sint Nicolaas in de ochtend van 6 december naar het lokale inslagtijdstip op de plek van Babylon refereert. De Sinterklaasvieringen op 5 en 6 december zijn aldus referenties naar een westerse en een oosterse datum voor de catastrofe op Groenland in 10.876 v.chr..

Hoe kan dit?

Het idee dat astronomen in Babylon, en later in Rome en Alexandrië, een nauwkeurig rekenmodel tot hun beschikking hadden inzake de Zondvloed is eigenaardig. Het gaat tenslotte om een catastrofe gebaseerd op een kosmische inslag ver boven de poolcirkel op Groenland, die ruim 10.000 jaar eerder had plaatsgevonden. En waarvan de in de moderne tijd pas in 2018 gevonden inslagkrater, waarschijnlijk ook bijna zo lang onder ijs heeft gezeten. Het zet het bestaande historische narratief op zijn kop. Dat een deel van dit rekenmodel bij de Maya’s in Midden Amerika is gevonden, roept eveneens vragen op.

Het bestaan van het Zondvloedmodel suggereert dat er ten tijde van de Jonge Dryas een beschaving bestond die de kosmische inslag kon registreren. En bovendien na afloop de krater kon onderzoeken, voordat het ijs het weer bedekte. Dat is ogenschijnlijk het meest basale begin van een verklaring voor het feit dat er gegevens voor inslagtijdstip en krater bestaan en konden worden overgeleverd tot in de Klassieke Oudheid. Een prikkelende vraag is vervolgens of deze beschaving misschien iets voor ons heeft neergelegd op de coördinaten van de krater, voordat het ijs er weer overheen ging?

Onze manier van tijdrekenen komt uit Sumer. De vraag is echter of de constructie met etmalen van 24 uur, en uren van 60 minuten, eventueel zijn oorsprong kan hebben gehad in de verloren beschaving ten tijde van de Jonge Dryas? Hetzelfde geldt natuurlijk voor afstandsberekeningen op basis van een verdeling van de aarde in 360 graden. De vraag hoe oud het Juliaanse kalendermodel en de bijbehorende Maya cyclus is, laat zich eveneens moeilijk beantwoorden.

En dan is er nog een andere vraag: hoe waarschijnlijk is het dat in het Vaticaan niemand weet dat de Christelijke kalender op de datum van de Zondvloed is gebaseerd? En wie weten er nog meer van? Het ligt voor de hand dat zelfs in de moderne tijd er altijd mensen zijn geweest die het geweten hebben, allicht ook buiten het Vaticaan. Hebben de tempelbouwers uit Babylon en Rome van eertijds geen erfgenamen?

Zoals George Carlin al zei: it’s a big club, and you ain’t in it. De introductie van Google Maps heeft het echter voor gewone mensen mogelijk gemaakt om vanachter hun PC heel nauwkeurig op satellietfoto’s in te zoemen met de bijbehorende geodetische coördinaten op het scherm. Het heeft het type research zoals in dit essay uit de doeken is gedaan, een stuk gemakkelijker gemaakt. Maar de vondst van de Hiawatha Krater op Groenland in 2018 is uiteindelijk essentieel geweest om het Zondvloedmodel daadwerkelijk te kunnen ontrafelen. En voor de lezer geldt dan ook: It may be a big club, but you’re now in the know too.