De Maya beschaving in Midden-Amerika heeft vanaf ongeveer 500 v.chr. tot 1.500 n.chr. bestaan. Eerder deze eeuw ontstond een hype rond het idee dat de Maya’s het einde der tijden voor eind 2.012 zouden hebben voorspeld. De lange cyclus van de Maya kalender eindigde namelijk op 21 december 2.012 in onze Gregoriaanse kalender. Deze cyclus was reeds begonnen in 3.114 v.chr., ruimschoots voor het ontstaan van de Maya beschaving. Het einde der tijden bleek uiteindelijk toch niet voor eind 2.012 voorbeschikt, maar de vraag is wat de lange Maya cyclus dan wél moet voorstellen?

In dit tweede essay van het ‘5 december project’ zal worden uitgewerkt dat de lange Maya cyclus in werkelijkheid een magische trukendoos is dat bij onze kalender hoort en uit het oude Mesopotamië komt. Met dit gereedschap kunnen relevante kosmische ongelukjes in de Juliaanse kalender worden gedateerd. Dit geldt in de eerste plaats voor de kosmische inslag die de enorme Hiawatha Krater op Groenland heeft achtergelaten; in het eerste essay is uiteen gezet dat deze inslag gedateerd werd op 5 december 10.876 v.chr.. Het zal echter ook duidelijk worden dat de Maya cyclus tevens verband houdt met een kosmische catastrofe in het derde millennium voor onze jaartelling in de Umm al Binni krater in Zuid-Irak. Dit zal in een apart derde essay worden uitgewerkt. Om de materie te begrijpen is het voor de lezer essentieel om eerst het essay over de Juliaanse kalender te lezen alvorens hier verder te te lezen. En tot slot kan dan het derde essay worden aangevangen.

De Gregoriaanse aanpassing en de Maya cyclus

De Maya kalender telt 1.872.000 dagen. Dag 1 in de Maya kalender viel volgens de Juliaanse kalender op maandag 7 september 3.114 v.chr.. Wanneer 1.872.000 dagen gedeeld wordt door het zonnejaar van 365,2422 dagen komt daar een lengte voor de lange Maya cyclus uitrollen van ongeveer 5.125,3661 jaar.

Relevant ten aanzien van de lengte van de Maya cyclus in de christelijke kalender, is echter dat het Vaticaan in het jaar 1.582 onder Paus Gregorius XIII, de Juliaanse kalender heeft aangepast. De kalender is destijds vooruit geschoven om weer in de pas te lopen met het zonnejaar. Dit gebeurde omdat de Juliaanse kalender van gemiddeld 365,25 dagen per jaar 0,0078 jaar langer duurt dan het zonnejaar van 365,2422 dagen. En de Juliaanse kalender aldus iedere 128,2 jaar een dag achterop raakte bij het werkelijke zonnejaar. Zodoende vonden de winterwendes kort voor het jaar 1.582 reeds op 11 of 12 december plaats. Dit terwijl ze rond het begin van de jaartelling op 23 of 24 december plaatsvonden.

a)

365,25 – 365,2422 = 0,0078 dag

1 / 0,0078 = 128,205 dagen

Maar de aanpassing in 1.582 door het Vaticaan is twee dagen tekort geschoten ten opzichte van de positie van de Juliaanse kalender bij het begin van de jaartelling: de winterwendes vallen in de Gregoriaanse kalender dan ook op 21 of 22 december. Dit heeft logischerwijze tot gevolg gehad, dat het eindpunt van de Maya kalender in de Gregoriaanse kalender op 21 december 2012 is gevallen, in plaats van op 23 december.

De reden van de “verloren” twee dagen is onbekend. Maar degenen die het eerste essay hebben gelezen zullen begrijpen dat het Vaticaan niet per ongeluk dit soort cruciale aanpassingen doet in de kalender. Deze “verloren” twee dagen geven dan ook een hint dat de lengte van de Maya cyclus in de context van de christelijke kalenders, artificieel met grofweg twee dagen moet worden ingekort; van 5125,3661 jaar tot afgerond 5125,36 jaar. En met 5125,36 jaar gaat in dit essay gerekend worden voor de lengte van de Maya cyclus.

Het beginpunt van de Maya cyclus volgens de proleptische (terugrekenende) Gregoriaanse kalender was overigens 11 augustus 3.114 v.chr..

De Precessiecyclus

Allereerst wordt het belangrijkste astronomische concept uit de oudheid onder de loep genomen: de Precessie van de Equinoxen. Het idee achter dit concept is dat als gevolg van de rotatie van de aardas, de aarde een lange astronomische cyclus doorloopt waarbij het lentepunt in 25.776 jaar langs de bekende twaalf sterrenbeelden schuift. De volgorde waarin deze sterrenbeelden gepasseerd worden, gaat echter in de tegenovergestelde richting als de bekende jaarcyclus. De afgelopen pakweg 2.000 jaar behelst het tijdperk Vissen. Dit volgde op het tijdperk Ram in de ruim twee millennia voor het begin van de jaartelling. Na het tijdperk Vissen zal in de loop van volgende eeuw het tijdperk Waterman volgen.

In literatuur wordt vaak 72 jaar aangehouden voor één graad op de Precessiecyclus. Dit zou betekenen dat het gemiddeld 2.160 jaar (30 graden x 72 jaar) duurt voordat één van de twaalf dierenriemtekens volledig gepasseerd is. Maar het getal 72 is een symbolische afronding. In werkelijkheid wordt een graad op de Precessiecyclus door astronomen namelijk op 71,6 jaar geschat. Zodoende duurt het gemiddeld 2.148 jaar voordat één van de dierenriemtekens gepasseerd is. De totale cyclus langs de twaalf dierenriemtekens is dan ook 25.776 jaar (12 x 2148 jaar) wanneer van exact 71,6 jaar voor één graad op de Precessiecyclus wordt uitgegaan.

b)

c)

71,6 jaar x 30 graden = 2.148 jaar

2.148 x12 = 71,6 jaar x 360 graden = 25.776 jaar

Hieruit volgt dat een exact halve Precessiecyclus 12.888 jaar (6 x 2148 jaar) duurt. Dat is interessant met betrekking tot de Zondvloeddatum: als we vanaf het einde van de Maya cyclus op de winterwende op 21 december 2.012, een halve precessiecyclus van 12.888 jaar terug in de tijd gaan, komen we namelijk uit op de winterwende van eind 10.877 v.chr.. Dat is toevallig de laatste winterwende geweest voor de in het eerste essay berekende Zondvloeddatum op 5 december, 10.876 v.chr..

Maar echt toevallig lijkt dat nu ook weer niet te zijn: let maar op het cijferrijtje voor de komma van de lengte van de Maya cyclus van totaal 5.125,36 jaren: 512 (5 december) en 125 (december 5th)! De kalender uit de Meso-Amerikaanse oudheid geeft aldus in zijn lengte in jaren, de Zondvloeddatum uit de Juliaanse kalender weer: de vijfde dag van de twaalfde maand.

De vraag is uiteraard of men in de Oudheid de Precessiecyclus op exact 25.776 jaar kon schatten en kon weten dat één graad op de eclips 71,6 jaar duurt? Het heeft er niettemin schijn van dat deze schatting van 71,6 jaar voor een graad op de Precessiecyclus, zit verstopt in de lengte van de Mayacyclus. Het is namelijk frappant dat de Mayacyclus van 5.125,36 jaar gelijk staat aan 71,6 jaar in het kwadraat (5.126,56) minus exact 1,2 jaar.

d)

e)

5.125,36 = ( 71,6 )² – 1,2

( 71,6 )² = 5.126,56

Wanneer deze 1,2 jaar weg wordt gelaten, zien we in het resulterende getal 5.126,56, de Zondvloeddatums voor west en oost zoals is berekend in het eerste essay. Tijdens de inslag op Groenland in de namiddag van 5 december 10.876 v.chr., was het namelijk reeds laat in de avond van 5 december (512) in Europa. In het oosten (Babylon) was het op het moment van de inslag zelfs al kort na middernacht op 6 december (126). In het getal 5.126,56 herhalen de getallen 5 en 6 zich nog een keer achter de komma in dezelfde volgorde.

Een check met Marduk

Dat de lange cyclus van de Maya’s een stuk gereedschap is dat behoort bij de Juliaanse kalender wordt door meer rekensommen ondersteund. Het verschil tussen het gemiddelde Juliaanse kalenderjaar van 365,25 dagen en het zonnejaar van 365,2422 dagen is 0,0078 dag. Wanneer de lengte van de Maya cyclus van 5.125,36 jaar wordt vermenigvuldigd met deze 0,0078, komt vrijwel het heilige aantal van veertig dagen uit deze som rollen; namelijk 39,977 dagen. Het betekent dat de kalender gedurende een periode van 5.125,36 jaar, in totaal 39,977 dagen naar achteren schuift ten opzichte van het echte zonnejaar: de kalender is namelijk 0,0078 dag trager dan het zonnejaar.

f)

g)

h)

365,25 – 365,2422 = 0,0078 dagen

0,0078 dagen x 5.125,36 = 39,977 dagen

39,977 dagen = 40 dagen – 33 min – 7,2 sec

Dit aantal van 39,977 dagen staat gelijk aan 40 dagen min 33 minuten en 7,2 seconden. Het is opmerkelijk dat de getallencombinatie 40, 33 en 7,2, in deze volgorde ook terug te vinden is in het lokale inslagtijdstip op 6 december 10.876 v.chr. in Babylon. In het eerste essay van het ‘5 december project’ is namelijk laten zien dat het op de plek van het middelpunt van de grote Ziggoerat (tempel) aldaar, tijdstip 00u:39m:27,072s op 6 december was tijdens de inslag op Groenland in 10.876 v.chr..

Dit lokale inslagtijdstip in Babylon in 10.876 v.chr. staat gelijk aan 40 minuten, min 33 seconden, plus 7,2 honderdste van een seconde. De grootheden en tekens zijn anders, maar het getallenrijtje 40, 33 en 7,2 is exact hetzelfde als in de bovenstaande berekening van de verschuiving van de kalender gedurende 5.125,36 jaar. En dat uitgerekend op exact de plek waar het middelpunt van de grote Ziggoerat werd gebouwd op 44,4208 OL; daar waar de Babylonische oppergod Marduk (Jupiter) zijn hokje op de top had.

De Maya cyclus en het Meestergetal 22

Bovenstaande is zo’n typische toevalligheid met getallencombinaties dat we steeds terug zien in het Zondvloedmodel. De getallenrijtjes 666, 512 of 72 duiken vanzelf op als een soort bevestigingscodes wanneer de goede weg is ingeslagen. Het getal 666 fungeert ogenschijnlijk als een onheilsgetal, 512 refereert naar het Zondvloedmodel en 72 is het Precessiegetal. En dan duiken nu ook de getallen 33 en 40 op.

Het getal 33 is de hoogste van de drie Meestergetallen, 11, 22 en 33 volgens Pythagoras, de Griekse getallenmaestro uit de zesde eeuw voor onze jaartelling. De grap is dat wanneer 39,977 dagen terug wordt gerekend vanaf het exacte beginpunt van een kalenderjaar, dat dan de datum 22 november wordt bereikt. Ofwel 22-11 om 00u:33m:7,2s. En zo zien we de drie Meestergetallen terugkomen in datum en tijdstip.

i)

j)

365 – 39,977 = 325,023 dagen

0,023 x 24 uur = 0,552 uur = 33 minuten en 7,2 seconden

Dit tijdstip op 22 november, dat in de Maya cyclus verstopt zit, is belangrijk in het Zondvloedmodel zoals in het derde essay inzake een Kleine Zondvloed duidelijk zal worden. Maar ook zal in het derde essay duidelijk worden dat het getal 22 een belangrijke sleutel is van het Zondvloedmodel. De individuele getallen uit het Zondvloedjaar 10.876 v.chr. tellen dan ook op tot 22. Hetzelfde geldt voor de individuele getallen in de 666,4 jaar die de tijdspanne markeert tussen de eerste observatie van de ster Sirius in Egypte en de Zondvloeddatum, en ook als de code 6664 in de locatie van de Jupiter tempel in Rome verscholen bleek te zitten. En het geldt ook voor de individuele getallen in de Maya cyclus van 5.125,36 jaar. Er is in het derde essay niettemin nog veel meer te doen met het Meestergetal 22.

k)

10.876 v.chr. = 1 + 0 + 8 + 7 + 6 = 22

5125,36 = 5 + 1 + 2 + 5 + 3 + 6 = 22

666,4 = 6 + 6 + 6 + 4 = 22

Maar het getal 40 is natuurlijk ook een heilig getal. Mozes zwierf niet voor niks 40 jaar door de woestijn. En Jezus vastte voor 40 dagen in de woestijn. Maar wat heeft het getal 40 verder met de Zondvloed te maken?

De berg Ararat en de meter

Noach dobberde volgens de zondvloedmythe in het Oude Testament 40 dagen en nachten rond in een ark met een inhoud van vrijwel 40 duizend kubieke meter. Noach parkeerde zijn ark uiteindelijk op de Ararat, de heilige berg ten noorden van Mesopotamië. Opvallend is de hoogte in meters van de berg Ararat van 5.137 meter. Volgens de Engelstalige Wikipedia pagina van de Ararat is dit namelijk inclusief een sneeuwlaag van 12 meter. Zonder deze sneeuwlaag is de hoogte van de Ararat in meters dus gelijk aan de lengte in jaren van de Maya cyclus: 5.125. Is dit toeval?

De vervolgvraag is dan natuurlijk: hoe is ‘de meter’ ooit tot stand gekomen? Middels het onderverdelen van de hoogte van de Ararat, zodanig dat het op 5.137 eenheden uitkomt? Dat zou best eens kunnen: door de omtrek van de aarde van 40.077 kilometer te delen door een miljoen keer de hoogte van de Ararat van 5.137 meter komen we namelijk weer uit op 0,0078: het verschil tussen het gemiddelde kalenderjaar van 365,25 dagen en het zonnejaar van 365,2422 dagen, maar in dit geval uitgedrukt in meters. Het zijn wel erg veel cijfermatige toevalligheden rond de Ararat, de Maya cyclus en onze kalender.

l)

40.077 / 5.137 x 1.000.000 = 0,0078

Maar let ook op hoe het getal 40.077, dat de omtrek van de aarde weergeeft, zich verhoudt tot het getal 39,977, dat de kalenderverschuiving in dagen weergeeft gedurende de Maya cyclus. Hieronder wordt laten zien dat wanneer de omtrek van de aarde wordt gedeeld door een miljoen, het verschil met de kalenderverschuiving in dagen, precies 0,1 is.

m)

40.077 / 1.000.000 – 0,1 = 39,977

De lengte van de Mayacyclus in jaren staat aldus gelijk aan de hoogte van de Ararat in meters, min 12 meter. Maar de lengte van de Mayacyclus stond ook al gelijk aan 71,6 jaar in het kwadraat min 1,2 jaar. Verbazingwekkend ten aanzien van deze getallenrijtjes is dat het hart van de stad Babylon op letterlijk 7,16 graden ten zuiden en 0,12 graden ten oosten van de piek van de berg Ararat werd gebouwd. Wanneer je deze berekening met behulp van Google Maps (terreinoptie kiezen) vanaf de piek van de Ararat op 39,702215 NB en 44,2986 OL maakt, kom je namelijk uit aan de oostelijke oever van de oude loop van de Eufraat. Dit is pal voor het toenmalige koninklijke paleis in Babylon op 32,5422 NB en 44,4186 OL. Het is overigens tevens het paleis waar Alexander de Grote stierf in 323 v.chr.. Let wel: Babylon wordt verondersteld ergens rond 2.200 v.chr. te zijn gesticht. Het is echter onbekend wanneer de tempels en het paleis zijn gebouwd.

Maar zo valt op dat de cijferrijtjes 716 en 12 naar voren springen. 716 refereert zoals gezegd naar de Precessiecyclus, maar is exacter dan het symbolische getal 72. Het getal 12 refereert allicht naar het aantal astrologische tijdperken tijdens de Precessiecyclus. Maar het zal in het derde essay ook duidelijk worden, dat de Eufraat/Paleis locatie in Babylon, in samenhang met de besproken 22 november datum, een sleutellocatie is in het Zondvloedmodel.

Een paar trucjes met de hoogte van de Ararat

Met de hoogte van de Ararat kunnen nog een paar trucjes worden uitgehaald. Maar daartoe moet gebruik worden gemaakt van een variant van een Sexagesimale (60) systeem. Wanneer de hoogte van de Ararat van 5.137 gedeeld wordt door zes maal de breedtegraad van het middelpunt van de Hiawatha krater op 78,726 graden, dan leidt dit tot 10,875272 als uitkomst.

n)

5.137 / (6 x 78,726) = 10,875272

Dit is natuurlijk vrijwel gelijk aan het getallenrijtje van de Zondvloeddatum (5 december, 10.876 v.chr.) dat in decimalen uitgedrukt op 10,875072 millennia voor onze jaartelling viel. Het is in het eerste essay berekend.

Wanneer het berekende getal 10,875272 daarentegen als millennia voor christus wordt verondersteld en naar een datum wordt omgerekend, komt dit uit op 24 september 10.876 v.chr.. Het is op 24 september 73 dagen, ofwel exact 0,2 jaar, voor de Zondvloeddatum op 5 december. Maar dit was toevallig ook de datum waar de herfstevening rond het begin van de jaartelling op plaatsvond in de Juliaanse kalender.

o)

365 – 0,272 x 365 = 365 – 99,28 = 265,72 dagen

265,72 dagen = 24 september, 17u:16m:48s

De omgekeerde route kan ook bewandeld worden: wanneer de breedtegraad van het middelpunt van de Hiawatha krater op 78,726 graden, vermenigvuldigd wordt met zes maal de Zondvloeddatum in millennia voor christus van 10,875072, dan komt er 5.136,90 uitrollen. Het is op deze manier net 10 centimeter, ofwel 0,1 meter, te weinig om de hoogte van de Ararat van 5.137 meter aan te tikken.

p)

78,726 x 6 x 10.875072 = 5136,90

Daarnaast kan met een trucje, en eveneens via het sexagesimale stelsel, het heilige getal 40 worden aangetikt als afwijking ten opzichte van de hoogte van de Ararat. Hiertoe wordt allereerst het getal 39,977 gebruikt die de verschuiving van de kalender gedurende de Maya cyclus weergeeft. En vervolgens wordt daar 10 x pi (3,1416), ofwel 31,416, vanaf getrokken. De uitkomst is 8,561. Dit vervolgens vermenigvuldigen met 600 leidt tot 5.136,60; ofwel net 40 centimeter te weinig om 5.137 te behalen.

q)

39,977 – 31,416 = 8,561

8,561 x 600 = 5.136,60

Al met al wordt op deze manier duidelijk dat de lange Maya cyclus een soort magische trukendoos is, waarin informatie zit samengebald omtrent de kosmische inslag op 5 december 10.876 v.chr.. Bovendien wijzen de bovenstaande cijfermatige verbanden met de Ararat en Babylon erop dat de lange Maya cyclus uit Mesopotamië afkomstig is. Maar het idee dat het Zondvloedmodel verband houdt met Babylon was natuurlijk al duidelijk geworden in het eerste essay. Het woord magie slaat overigens terug op ‘Magi’. Zo werden de priesterastronomen uit Mesopotamië en Perzië genoemd.

Carthago als intermediair

Het oogt allicht eigenaardig dat de magische trukendoos uit Mesopotamië door Europeanen gevonden werd in Midden-Amerika. Maar dat is slechts raar als je gelooft dat Columbus daadwerkelijk de eerste zou zijn geweest die contact met de Amerika’s zou hebben gelegd. Het ligt juist voor de hand dat de Feniciërs dat al millennia voor het jaar 1.492 hadden gedaan. Hoewel het gissen is hoe de astronomische trukendoos bij de Maya’s verzeild is geraakt, lijkt de meest logische verklaring bij Carthago te moeten worden gezocht.

De stad Carthago was in de Klassieke Oudheid een prominente Fenicische handelsstad waar later de stad Tunis is gebouwd. Carthago is in 814 v.chr. ontstaan door kolonisten uit de Fenicische stad Tyrus (in het huidige Libanon). Nadat haar thuisland in de zesde eeuw voor christus overlopen werd door het Perzische Rijk, kreeg Carthago als zelfstandige stad juist vleugels. Vanaf dan domineerde het de westelijke Middellandse Zee en dus ook de toegang tot de Atlantische Oceaan. Kort na 500 v.chr. organiseerden de Cathagers ontdekkingsreizen over de Oceaan en om Afrika heen. Er zijn zelfs een paar namen van bekende Carthaagse zeevaarders uit die tijd overgeleverd. Het valt op dat de Carthaagse ontdekkingsreizen in de vijfde eeuw voor christus samen lijken te vallen met de opkomst van de Maya beschaving in Centraal Amerika.

Maar de periode voor 500 v.chr. kort voorafgaand aan de Carthaagse ontdekkingsreizen, geeft ook interessante aanwijzingen. In het eerste essay is duidelijk geworden dat de tempellocaties in Rome die verband houden met het Zondvloedmodel, rond 500 v.chr. gebouwd zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Jupiter tempel (509 v.chr.). Het suggereert dat voor die periode astronomische en geometrische kennis vanuit Babylon naar het westen is gestroomd.

Eén van de vehicles waarmee deze kennis naar het westen reisde is allicht de grote Griekse getallenmaestro Pythagoras geweest. Pythagoras werd volgens de overlevering op de leeftijd van 22 jaar voor enige tijd priester in de Fenicische stad Sidon. Daarna snoof hij kennis op in onder meer Egypte en Babylon. Vervolgens is hij op de leeftijd van 40 jaar, in 530 v.chr. in Zuid Italië aan zijn claim to fame begonnen. Let op de leeftijden van 22 en 40! De getallenmagie van het Zondvloedmodel die uiteindelijk in Rome verzeild raakte, zal niettemin ook zeker Carthago hebben bereikt. Carthago was rond 500 v.chr. namelijk een stuk prominenter dan Rome.

Het ligt voor de hand om aan te nemen dat de Carthagers bij hun ontdekkingsreizen ook op de Amerika’s zijn gestuit. Maar dat is niet wat is overgeleverd in de geschiedenisboekjes. Het probleem met de geschiedenis van de Carthagers is echter dat het niet door henzelf is overgeleverd, maar in wezen vooral door haar voormalige vijanden van Griekse en Romeinse snit. Carthago raakte namelijk vanaf 264 v.chr. in een ongenadige strijd om de macht over de Middellandse Zee verzeild raakte met het sterker wordende Rome. Twee brute oorlogen volgden, die Carthago verloor.

Na de tweede verliespartij in 201 v.chr. was Carthago nog slechts een tweederangs macht. Niettemin besloot de Romeinse Senaat om Carthago in een derde oorlog totaal van de kaart te vegen. De stad werd in 146 v.chr. vernietigd en dat gold ook voor haar bibliotheek en haar geheimen. Wie weet is één zo’n geheim een Fenicische kolonie in Midden-Amerika geweest?

Wisten de revolutionaire Fransen van de Maya cyclus?

Het is opmerkelijk dat met behulp van de Maya cyclus ook nog de oorsprong van de ‘meter’ is teruggevonden: de meter lijkt ‘ooit’ te zijn vastgesteld door de hoogte van de Ararat in 5.125 eenheden (plus 12 eenheden sneeuw) onder te verdelen. Dit is gelijk aan de lengte van de Maya cyclus in jaren. De ‘meter’ is echter pas na de Franse Revolutie in Europa ingevoerd, nota bene tijdens extensieve Franse bezoekjes aan Egypte, waaronder een veldtocht van Napoleon.

De Fransen beweerden dat ze de meter hebben gecreëerd door de omtrek van de aarde vast te stellen en deze vervolgens in veertig miljoen eenheden te verdelen. De omtrek van de aarde zou destijds zijn bepaald middels een meting van Duinkerken tot Barcelona. Maar dit verhaal klopt duidelijk niet, aangezien de omtrek van de aarde 40.077 kilometer is en niet slechts 40.000 kilometer. Het suggereert dat de revolutionaire Franse elite kennis had van de echte meter (die van de Ararat) en deze dus ook introduceerde. Maar ook dat het niet bereid was de achterliggende kennis met de rest van de wereld te delen. Het verhaal over de Duinkerken-Barcelona meting lijkt een soort dekmantel te zijn geweest om dat te verhullen.

Tot slot:

Het is in dit tweede essay van het ‘5 december project’ laten zien, dat de lange Maya cyclus een instrument is dat bij de Juliaanse kalender behoort. En aldus informatie herbergt omtrent de Grote Zondvloed op 5 december 10.876 v.chr.. Maar de Maya cyclus is voornamelijk behulpzaam in het bevestigen van de berekeningen die nodig zijn om het inslagtijdstip en de locatie van de bijbehorende Hiawatha krater op Groenland te verkrijgen. De berekeningen daartoe zijn uit de doeken gedaan in het eerste essay.

Maar de Maya cyclus herbergt verrassenderwijs ook informatie over een andere kosmische catastrofe. Er zit namelijk cruciale informatie in de Maya cyclus verborgen omtrent een kosmische inslag die in Mesopotamië zelf heeft plaatsgevonden. En wel in de Umm al Binni krater in het derde millennium voor christus. Aangezien de locatie destijds vlak buiten de kustlijn in de Perzische Golf lag, zal het een Zondvloed hebben veroorzaakt.

Voor het ontsluiten van deze informatie is het gebruik van de Maya cyclus wél cruciaal. In het derde essay van het ‘5 december project’ zal worden uitgelegd op wat voor manier de datum en locatie van deze inslag verborgen zitten in de lange Maya cyclus. Twee elementen die in dit tweede essay zijn gewerkt zullen daarin terugkomen: de 39,977 dagen verschuiving van de kalender gedurende de lengte van de lange Maya cyclus en de vanaf de Ararat bepaalde Eufraat/Paleis locatie in Babylon. Het derde essay kan hier gevonden worden.

Het eerste essay werd beëindigd met de constatering dat het onwaarschijnlijk lijkt dat het Vaticaan niet weet dat haar eigen kalender op de timing van de Zondvloed in 10.876 v.chr. is gebaseerd. Vervolgens is in het tweede essay duidelijk geworden, dat de kalenderaanpassing van paus Gregorius XIII in het jaar 1.582, een hint geeft dat met het Maya getal 5125,36 moet worden gerekend. Dit in plaats van de volledige 5125,3661 jaar van de Maya cyclus. In de aanpassing van de kalender is het Vaticaan namelijk op onverklaarbare reden twee dagen te kort geschoten ten opzichte van de kalenderpositie rond het begin van de jaartelling. Het zou op zich niet verbazen als het magische instrument dat de lange Maya cyclus is, sinds de tijd van Julius Caesar gewoon in Rome beschikbaar is geweest voor intimi.