Het Sinterklaasfeest als bezwering van de Zondvloed

5 december 10.876 v.chr. had een duivels avondje

Het Nederlandse Sinterklaasfeest lijkt een ritueel ter bezwering van het kwaad weer te geven: god wordt door de Sint uitgebeeld en de duivel is Zwarte Piet. Dit ritueel verving vanaf medio negentiende eeuw de eveneens duivelse Zwarte Klazen. Het is opvallend dat 5 december als datum wordt gebruikt voor het Sinterklaasfeest in Nederland. De overlijdensdatum van Sint Nicolaas is namelijk op 6 december gezet door de Kerk. Waar slaat ‘5 december’ op terug?

Het Sinterklaasritueel op 5 december is waarschijnlijk verbonden met een duivelse gebeurtenis uit een duister verleden: de Zondvloed. Ons woord ‘zondvloed’ is van het Middelnederlandse woord ‘sintvloed’ afkomstig. Het woord ‘sint’ heeft in de Middeleeuwen misschien een dubbelzinnige betekenis gehad. Maar het verband tussen de Sinterklaasdatum en de Zondvloed kan ook worden berekend en beredeneerd met behulp van oude kalenderberekeningen. Het wordt in dit essay geopenbaard.

De Zondvloed en de Jonge Dryas periode

De klimatologisch rampzalig ‘Jonge Dryas’ periode wordt door velen gezien als tijdsgewricht, waar zondvloedmythes (zoals de Ark van Noach) eventueel op terug kunnen slaan. Na een paar duizend jaar opwarming vanaf het einde van de laatste IJstijd werd het kort na 10.900 v.chr. plots opnieuw kouder, terwijl de zeespiegel juist substantieel steeg. Een wetenschappelijk artikel uit september 2020 (door Cheng e.a.), signaleert bijvoorbeeld dat deze radicale klimaatomslag ergens tussen 10.880 v.chr en 10.820 v.chr. is gestart, en zijn oorsprong had in de Noordelijke Atlantische regio. De Jonge Dryas duurde tot 9.600 v.chr., toen het al even plotseling, weer veel warmer werd.

De laatste jaren is onder wetenschappers een hypothese in opkomst, die de klimaatverandering bij het begin van de Jonge Dryas, koppelt aan inslagen van fragmenten van een komeet op de ijskap die Noord-Amerika destijds deels bedekte. Dit wordt de Younger Dryas Impact Hypothesis genoemd. Het volgt in zekere zin op eerder werk van de astronoom Edmond Halley, die al in 1694 stelde dat een komeet de oorzaak is geweest van de Bijbelse Zondvloed.

Deze door wetenschappers weer opgerakelde hypothese is samengevallen met de vondst van een grote inslagkrater onder het ijs van Noordwest-Groenland. De krater met een diameter van 31km werd in 2018 gevonden. Het onderzochte ijs onderin de krater, lijkt vooralsnog te wijzen op de Jonge Dryas periode, maar er moet nog meer wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden.

Een pre-christelijke berekening van de Zondvloeddatum

De Sinterklaasdatum heeft een link met zowel de datering van de komeetinslag, als met de krater op Groenland. Maar om dat te zien moeten een paar rekensommen worden gemaakt. Allereerst is het veronderstelde startpunt van de Jonge Dryas na 10.880 v.chr opvallend. Het valt anders gezegd bijna 10,88 millennia voor onze jaartelling. Dit getal komt opmerkelijk overeen met het verschil van bijna 10,88 dagen, tussen een tropisch jaar (zonnejaar) en een maanjaar. Het heeft er zodoende schijn van dat het begin van de jaartelling en het verschil tussen zonnejaar en maanjaar, ooit samen als ezelsbruggetje hebben gediend in een (pre-christelijke) berekening van de Zondvloeddatum.

Onze jaartelling is voortgekomen uit de Paastabel. Deze tabel werd rond 520 n.chr. door de geleerde Dionysius van Exiguus ontwikkeld om de datums voor het christelijke Paasfeest te kunnen berekenen. Maar hij deed dit op basis van veel oudere astronomische gegevens die hij in Alexandrië had opgeduikeld. Een rekensom, waarbij met gegevens voor zonnejaar en maanjaar uit de Klassieke Oudheid, wordt teruggerekend vanaf het door Dionysius geprikte begin van de christelijke jaartelling, leidt dan ook tot Sinterklaas: 5 december van het jaar 10.876 v.chr..

De berekening van dit pre-christelijke ezelsbruggetje voor de Zondvloeddatering gaat als volgt (in decimalen):

Voor het zonnejaar wordt gerekend met 365,2422 dagen. Voor een maanjaar wordt gebruik gemaakt van een Babylonische synodische maand met zes cijfers achter de komma, van 29,530594 dagen. Wanneer deze synodische maand vermenigvuldigd wordt met twaalf, wordt een maanjaar berekend van 354,367128 dagen.

Door de lengte van een maanjaar af te trekken van een zonnejaar wordt het verschil van in totaal 10,875072 dagen verkregen. Daarna halen we het bovengenoemde trucje uit: we vermenigvuldigen het verschil met duizend en gooien het als jaren terug in de tijd, vanaf het begin van de jaartelling. Zo komen we uit op 10.875,072 jaren voor christus.

Vervolgens moet 0,072 jaar worden teruggerekend vanaf de jaarwisseling van 10.876/10.875 v.chr.. Het jaar 10.876 v.chr is geen schrikkeljaar en zodoende wordt 0,072 vermenigvuldigd met 365 dagen. Dit resulteert in 26,28 dagen, waarmee wordt teruggerekend vanaf de jaarwisseling.

Op deze manier komt het tijdstip 17u:16m:48s op 5 december van het jaar 10.876 v.chr uit de bus rollen. Dit tijdstip heeft ‘iets speciaals’ met het getal 72 achter de komma: niet alleen is op dat moment nog 0,072 jaar te gaan tot de jaarwisseling, maar het valt ook na exact 72 procent van een etmaal van 24 uur.

De Juliaanse kalender bestond destijds uiteraard nog niet. Doordat vanaf het exacte begin van onze jaartelling in de tijd is teruggerekend naar 10.876 v.chr., gaat het om een fictieve kalender, die hetzelfde in het zonnejaar is gepositioneerd als de Juliaanse kalender bij het begin van onze jaartelling. Het is ook vanwege de Juliaanse kalender dat in bovenstaande rekensom rekening wordt gehouden met schrikkeljaren.

Het jaartal 10.876 v.chr. valt binnen de bandbreedte die de wetenschap als datering voor het begin van de Jonge Dryas periode aanhoudt. Datum en tijdstip is het moment dat Nederlandse kinderen met spanning zitten te wachten totdat de duivel (Zwarte Piet) in opdracht van god (Sint Nicolaas) aan de deur bonst en een worp pepernoten de huiskamer ingooit, waarna de pakjes volgen.

So far, so good, maar wie zegt dat deze Sintvloeddatum geen toeval is?

De kalender van de oude Egyptenaren suggereert dat het juiste spoor is gevolgd. In de nasleep van de Napoleontische veldtocht in Egypte rond 1800, nam de kennis in Europa over de Oudheid aanmerkelijk toe. Zo poneerde bijvoorbeeld de Assyrioloog Julius Oppert in de loop van de negentiende eeuw, dat astronomische observaties door mensen, ten behoeve van zowel de Egyptische kalender gebaseerd op de ster Sirius, als de Assyrische maankalender, in het jaar 11.542 v.chr begonnen zijn. Volgens de hedendaagse Egypte expert, Wim Zitman, vond de eerste vanuit Zuid-Egypte zichtbare opkomst van de ster Sirius, plaats op 19 juli in 11.542 v.chr..

Het zojuist berekende jaar van de Zondvloed in 10.876 v.chr, viel 666 jaar na 11.542 v.chr.. Dat uitgerekend dit ‘duivelse’ getal tussen de oorsprong van de Egyptische en Assyrische kalenders en de Zondvloeddatum eruit springt, is op zichzelf frappant. Niet alleen schijnt het extra licht op de Sinterklaasrituelen met de duivel, maar tevens hebben we een mogelijke achtergrond voor het vermeende duivelse karakter van de drie zessen te pakken. Het ‘kwaad’ zou in dit geval 666 jaar na de oorsprong van de Egyptische en Assyrische kalenders in 11.542 v.chr. hebben toegeslagen middels een komeet.

Het oude Rome en de inslagkrater op Groenland

Maar het oude Rome is ook relevant inzake de Zondvloed. In Rome had de gehoornde vruchtbaarheidsgod Faunus een feestdag op 5 december. Het beeld van de populaire Faunus stond op de Lupercal, de mythische geboortestek van Rome, waar ook de grot van Romulus zich zou hebben bevonden.

De afstand van de Lupercal in Rome ten opzichte van de eerder genoemde grote inslagkrater op Groenland levert een eigenaardig toeval op. Met behulp van Google Maps valt op dat het middelpunt van de krater, ‘qua breedtegraad’ op ongeveer 78,726 graden noorderbreedte ligt. Maar het heilige hart van Rome is letterlijk gebouwd op 78,726 graden ten oosten van de meridiaan, die het middelpunt van de krater van noord naar zuid snijdt (op zo’n 66,242 graden westerlengte).

De Lupercal bevond zich op 12,484 graden oosterlengte (12,484 = 78,726 – 66,242). Verder van zuid naar noord stonden de tempels van Saturnus, Vespasianus, Concordia en Trajanus eveneens op 12,484 graden oosterlengte. De breedtegraad van de krater is aldus tot zelfs drie cijfers achter de komma gekopieerd in de oost-west afstand tussen het heilige hart van Rome en de krater.

In de oudheid was men zodanig verzot op geometrie, dat de positie van de Eeuwige Stad ten opzichte van de krater op Groenland, een aanwijzing kan zijn dat men ten tijde van de stichting van het antieke Rome op de hoogte was van de locatie van deze Zondvloedkrater. En bovendien dat de stichters van Rome het in hun locatiekeuze wilden weergeven.

Waar is de overlijdensdatum van Sint Nicolaas op gebaseerd?

Het berekende Zondvloedtijdstip om 17u:16m:48s, op 5 december 10.876 v.chr., vraagt dan ook om een experimentje. Wanneer het als inslagtijdstip wordt verondersteld voor de krater op Groenland (als lokale tijd), kunnen namelijk ook corresponderende ‘lokale’ tijdstippen van de komeetinslag elders worden berekend. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald, waar op aarde het middernacht tussen 5 en 6 december was op het moment van de catastrofe op Groenland.

Een etmaal is verdeeld in 1440 minuten en de aarde is verdeeld over 360 lengtegraden: corresponderende lokale tijdstippen ten oosten van de krater, kunnen dan ook gevonden worden door 4 minuten per lengtegraad op te tellen vanaf het inslagtijdstip in de krater (1440/360 = 4). Het punt waar vandaan gerekend moet worden is aldus de krater op Groenland op 66,242 graden westerlengte en tijdstip 17u:16m:48s.

Het was zodoende exact middernacht tussen 5 en 6 december op 34,558 graden oosterlengte in dit rekenmodel. Dit is op een lijn die onder andere over de oostpunt van Cyprus en de grens van Egypte en Israël loopt. Ten westen van deze lijn was het nog altijd 5 december, maar verder naar het oosten was het inmiddels 6 december op het moment dat de duivel op Groenland toesloeg. In bijvoorbeeld Mesopotamië (Babylon) was het in dit rekenmodel reeds de veertigste minuut na middernacht op 6 december.

De Katholieke Kerk heeft de gehoornde god Faunus rond 500 n.chr. vervangen door Sint Nicolaas. Het festival ter ere van Faunus op 5 december werd vervolgens verschoven naar 6 december, onder het voorwendsel dat het de ‘officiële’ overlijdensdatum van Sint Nicolaas is. Dit komt niettemin overeen met de oosterse (Babylonische) datum voor de Zondvloed in dit rekenmodel.

De Zondvloed is overgeleverd in het 5 december ritueel

De oorsprong van de 5 december datum voor Sinterklaas en het bijbehorende bezweringsritueel, is al met al waarschijnlijk een inslag van een omvangrijk fragment van een komeet op het ijs van Noordwest-Groenland geweest. Deze komeetinslag, het openingsschot van de Jonge Dryas, heeft wellicht tot tsunami’s op de oceanen en een Zondvloed geleid. Mysterieus is dat een pre-christelijk rekenmodel herleid kan worden, dat is gebaseerd op een exact inslagtijdstip en de exacte locatie van de krater op Groenland. De krater is mogelijk ruim 12.000 jaar onder ijs verborgen geweest voordat het in 2018 gevonden werd.

Het is onduidelijk hoe en wanneer ‘5 december’ in onze streken is ingebracht. Maar het feit dat de kustbewoners de Kerk lang hebben weerstaan in de vroege Middeleeuwen kan een rol hebben gespeeld in het overleven van ‘5 december’. Het was in Nederland dan ook in de avond van 5 december tijdens de Sintvloed in 10.876 v.chr.. En niet 6 december zoals in Babylon. In het katholieke Vlaanderen viert men Sinterklaas daarentegen wel in de ochtend van 6 december.

Was men in de negentiende eeuw al op de hoogte?

De Nederlandse culturele elite die medio negentiende eeuw de Zwarte Klazen verving door het Sinterklaasritueel met god en duivel, had mogelijkerwijze kennis van een deel van deze inzichten. De rekensom waarmee het inslagtijdstip op 5 december 10.876 v.chr. werd berekend, kon men destijds natuurlijk ook maken; het vergt slechts hulp van decimalen en uiteraard een idee over het tijdsgewricht waar de Zondvloed gezocht moet worden. Het lag destijds binnen de mogelijkheden. Maar om religieuze redenen zullen dit soort inzichten waarschijnlijk niet openlijk, maar op zijn best onder de tafel, via de intellectuele genootschapjes zijn gedeeld.

Religieuze mythes zijn in de basis vaak terug te voeren op astronomie. Dit lijkt ook voor de geschiedenis van het 5 december ritueel op te gaan. Het bezweringsritueel met Sint en Piet dient dan ook ogenschijnlijk, om ons tegen duivelse streken vanuit de kosmos te beschermen. En in onze laag gelegen moerasdelta is dat misschien geen overbodige luxe.

Erwin Langewis, 3 december 2020